3 en 4 februari 2021
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Het tiende ggz-congres: een feest waard!

Posters doorlopend

Woensdag en donderdag 3 en 4 februari 2021 

P01 Effortful Control als transdiagnostisch concept bij internalizerende en externalizerende psychopathologie
Els Santens, psychiater, Alexianen Zorggroep Tienen
Via een literatuursearch onderzochten wij de mogelijke rol van Effortful Control in psychopathologie (internalizerende en externalizerende psychopathologie) als transdiagnostische dimensie (Research Domain Criteria).
Effortful Control of zelfregulatie kan begrepen worden als het vermogen om de eigen aandacht en het eigen gedrag op een vrijwillige manier te reguleren. Binnen het temperamentonderzoek (Rothbart) worden lage niveaus van Effortful Control of zelfregulatie verondersteld samen te hangen met een bepaalde kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van psychopathologie, hoge niveaus van Effortful Control zouden dan weer protectief zijn tegen het ontwikkelen van psychopathologie.
Interventies gericht op het versterken van de Effortful Control zouden dan ook het risico op het ontwikkelen van een breed scala aan psychiatrische problemen mogelijks kunnen verminderen.
Verder bouwend op de transdiagnostische rol van Effortful control onderzochten we binnen een kleine sample van 75 patiënten, die een residentiële groepstherapeutische behandeling volgden o.w.v. afhankelijkheid van alcohol, ook de mogelijke modererende rol van Effortful Control tussen de reactieve temperamentsfactoren (behavioral inhibition systeem en behavioral activation systeem) enerzijds en psychopathologie; ernst van verslaving en impulsiviteit anderzijds.
We presenteren de resultaten van de literatuursearch enerzijds en de resultaten van de onderzoeksvraag of Effortful Control een moderator is tussen BIS en BAS enerzijds en psychopathologie, ernst van verslaving en impulsiviteit anderzijds.

P02 Het verlagen van stigma via deframing en biologische reframing
Bart Vyncke, master of science (communicatiewetenschappen), doctoraatsstudent (communicatiewetenschappen), KULeuven - Instituut voor Mediastudies, Leuven
Stigma heeft een negatieve invloed op de levens van mensen met een psychische aandoening. Communicatie kan stigma verlagen, maar het is essentieel om te verzekeren dat berichten effectief zijn en geen contraproductieve effecten hebben. Vorig onderzoek toonde reeds aan dat strategische framing kan helpen om stigma te verlagen (Vyncke & Van Gorp, 2018).
Uit een experiment bij 607 Vlamingen bleek dat stigma niet kon verlaagd worden door alleen een biomedisch reframe te introduceren (bijv. “psychische aandoeningen zijn hersenaandoeningen”). Het destigmatiserende potentieel van deze strategie werd echter sterk verbeterd door ze te combineren met deframing. Daarbij worden stigmatiserende denkbeelden weerlegd (bijv. “een psychische aandoening is geen teken van zwakte”). Wie deze combinatie las, scoorde significant lager op een stigma-schaal en schreef ook minder stigmatiserende uitspraken neer. Ook boodschappen die enkel deframing bevatten zorgden voor een significante daling van stigma.
Het experiment toonde verder ook aan dat deze berichten geen negatieve effecten uitoefenden op mensen die een psychische aandoening hebben (gehad), noch op mensen met depressieve symptomen. Dat suggereert dat ze veilig kunnen gebruikt worden in campagnes die zich richten naar het grote publiek.
Bronnen:
Vyncke, B., & Van Gorp, B. (2018). An experimental examination of the effectiveness of framing strategies to reduce mental health stigma. Journal of Health Communication, 23, 10-11, 899-908.

 

P03 150.000 vragen over alcohol en andere drugs
Rebecca Van Loo, master in de klinische en gezondheidspsychologie, stafmedewerker, De DrugLijn (VAD vzw), Brussel
De DrugLijn bestaat 25 jaar en heeft al die jaren ingezet op laagdrempeligheid en bereikbaarheid. Anoniem, vraaggestuurd en zonder oordeel of vooroordeel. In al die jaren kende de werking van de lijn een hele evolutie maar evolueerde evenzeer het aantal contacten met de lijn, wie de lijn contacteert en waarom. Met onze poster willen we een aantal kerngegevens omtrent onze werking belichten die toelaten een beeld te schetsen wat in 25 jaar bereikt werd.
Aanbod: de DrugLijn evolueerde van een telefoonlijn naar een omvattende service die ondertussen ook sterk inzet op online tools die worden aangeboden via een performante website: mail- en chatbeantwoording, online vroeginterventie via kennis- en zelftests, DASH (online zelhulpmodule), GRIP (online zelfzorg voor naastbetrokkenen). De mate waarin van dit aanbod gebruik gemaakt wordt, evolueerde in de voorbije jaren naar recordcijfers.
Bereik: het aantal oproepers dat alcohol of andere drugs gebruikt, gokt of gamet neemt toe (39%) maar ook naastbestaanden (ouders, partner, brussen, kopp/koap) vormen een belangrijk aandeel (36%). Met de jaren nam het aantal vragen over alcohol het aantal vragen over cannabis. Ook het aantal contacten omtrent problematisch gokken en gamen nam dusdanig toe dat ze inmiddels het aantal contacten omtrent diverse illegale drugs overschrijdt.
Doorverwijzen: De DrugLijn biedt informatie en een eerste opvang of advies maar ziet zichzelf vooral als een laagdrempelige opstap en heeft geen therapeutische ambities. De lijn verwijst frequent door naar een breed hulpverleningslandschap (77% van alle contacten). Dat omspant de mogelijkheden qua online hulp en zelfhulp, ambulante en residentiële hulp.
Bronnen:
Jaarverslagen De DrugLijn (oa https://bit.ly/31KwDHw)

P04 Samen maken we OPGanG!
Patrick Colemont, master of science, beleidsmedewerker, Vlaams Patiëntenplatform, Heverlee
OPGanG, de Open Patiëntenkoepel geestelijke gezondheid, wil de krachten, kwaliteiten en expertise van ervaringsdeskundigen bundelen om zo actief te participeren op de verschillende niveaus van de geestelijke gezondheidszorg.
Hierbij zijn het perspectief van de cliënt, de visie op herstel, patiëntenparticipatie en het benutten van ervaringsdeskundigheid de fundamenten van ons denken en handelen.
Deze poster presenteert de huidige kernleden van OPGanG, de thema's waarrond OPGanG werkt en de 'Weer-Op-Gang'-kaart, een hulpmiddel om patiëntenverenigingen te vinden.
Bronnen:
www.opgang.be

 

P05 Natuur op doktersvoorschrift
Dieter Willems, hogeschool korte type, educatief medewerker, Regionaal Landschap Houtland vzw, Beernem
Met de provincie West-Vlaanderen en de West-Vlaamse regionale landschappen zijn we reeds een tijdje bezig met de invloed van natuur op het geestelijke welzijn van kinderen en volwassen. Getuigt hiervan ons symposium op 29 mei samen met AZ Kortrijk, onze vele vergroening op schoolterreinen, ons lidmaatschap van het netwerk Natuur en Gezondheid.
Met deze poster verduidelijken we de link tussen natuur en geestelijke gezondheid en brengen we inzichten in hoe men daar binnen de eigen setting mee aan de slag kan gaan.

P06 Rustige ruiters, hevige hengsten - De verslavingszorg in galop - R-impuls: een therapie ter regulatie van impulsen
Sarah Heyse, master, klinisch psycholoog, Alexianen Zorggroep Tienen
Vanuit een duaal procesmodel wordt verslaving gekenmerkt door een verstoorde balans tussen een hypergevoelig impulsief proces en een suboptimaal werkend reflectief proces, waardoor automatische impulsieve reacties moeilijk onder controle gehouden kunnen worden. In de klinische praktijk zien we dan ook vaak dat, hoewel patiënten de negatieve gevolgen van verslaving goed kennen en ervan overtuigd zijn te willen stoppen met middelengebruik, deze rationele overwegingen hen vaak niet weerhouden om middelen te gebruiken. Dit vormde de aanzet tot het ontwikkelen van een nieuwe module, R-Impuls (Regulatie van Impulsen), voor het therapieprogramma van Team Verslavingszorg in de kliniek Alexianen Zorggroep Tienen. Deze therapiemodule werd ontwikkeld door de psychologe en bewegingstherapeut en wordt ook door hen toegepast. Opzet is via ervaringsgerichte oefeningen patiënten te leren zich bewust te worden van de automatische processen die een rol spelen bij verslaving en via nabespreking de link te maken met hun gebruik in het dagelijks leven. Onderzoek zal moeten uitwijzen of deze sessies een psycho-educatieve meerwaarde hebben en tevens een positief effect hebben op de outcome.
Bronnen:
Vos, K., Vanmarsenille, R. & Santens, E. (2015). R-Impuls : een therapie ter regulatie van impulsen. Verslaving, 11(4), 241-249.

 

P07 Het overHoophuis
Nathalie Albert, ervaringsdeskundige, projectleider, Alexianen Zorggroep Tienen
Het overHoophuis is een inloophuis voor mensen met vragen rond psychisch kwetsbaar zijn en herstel en een 'warm huis' van waaruit ervaringsdeskundigen gevormd en uitgezonden worden. Het is bovendien volledig gerund en bemand door ervaringsdeskundigen. Aan de hand van deze poster hopen we talrijke andere organisaties te inspireren om meer van deze huizen op te richten.

P08 Een RUSTpunt VZW - lotgenotengroep voor mensen met een psychische kwetsbaarheid in Kortrijk
Céline Dewitte, bachelor toegepaste psychologie en psychiatrisch verpleegkunde, therapeut - herstelondersteuner, De MaRe ism een RUSTpunt vzw, Kortrijk
We zijn drie jonge mensen (jong van geest alleszins) die elkaar hebben ontmoet binnen de muren van de psychiatrie, maar daar ondertussen al weer vrij gelaten zijn. Samen hebben we alle diagnoses uit de DSM-bijbel.We missen iets in de huidige geestelijke gezondheidszorg, namelijk een rustpunt, vandaar dat we samen dit project starten. In de poster geven we graag meer toelichting bij dit project, nl. een maandelijks ontmoetingsmoment voor mensen met een psychische kwetsbaarheid in Kortrijk.

P09 Kan de ergotherapeut de herstelondersteunende hulpverlener bij uitstek zijn?
Sarah Fets, master, ergotherapeut, Zorggroep Sint-Kamillus, Bierbeek
Sinds enkele jaren heeft de herstelvisie intrede gemaakt in de Zorggroep Sint-Kamillus. Herstelgericht werken betekent dat de focus van de zorg in de eerste plaats ligt op het verhogen van de levenskwaliteit. Er wordt samen op zoek gegaan naar aanwezige sterktes en wensen. Het benadrukken van deze positieve zaken geeft vaak de nodige kracht om te leren omgaan met moeilijkheden vanuit de psychische kwetsbaarheid.
Vanuit de vakgroep ergotherapie merkten we dat er verscheidene raakvlakken zijn tussen de herstelvisie en de waarden van ergotherapie, waaronder autonomie, bieden van hoop, empowerment, enz. (Doroud, Fossey & Fortune, 2015). Omwille van deze raakvlakken is de ergotherapeut de hulpverlener bij uitstek om een verschuiving richting herstel te faciliteren (Nugent, Hancock & Honey, 2017). In ditzelfde artikel komt naar voren dat er weinig praktijkvoorbeelden zijn terug te vinden in de literatuur.
We hebben ons toegespitst op de stelling “Is de ergotherapeut de herstelondersteunende hulpverlener bij uitstek?”. We onderbouwen deze stelling door een beeld te schetsen van wat ergotherapie en herstel inhouden. Alsook door een praktijkvoorbeeld uit te werken, met name de opstart van de outletwinkel in het therapeutisch activiteitencentrum van de zorggroep. De outlet is een tweedehandskledingwinkel georganiseerd door en voor cliënten.
Bronnen:
Doroud N., Fossey E. & Fortune T. (2015). Recovery as an occupational journey : a scoping review exploring the links between occupational engagement and recovery for people with enduring mental health issues. Australian Occupational Therapy Journal, 2015, 62, 378-392.
Nugent A., Hancock N. & Honey A. (2017). Developing and sustaining recovery-orientation in mental health practice: experiences of occupational therapists. Occupational Therapy International, 2017, 1-9.

P10 These are mad times we live in: prestatiedruk en keuzestress bij jongeren
Marijke Van Duynslaeger, master klinische psychologie, data analist, Nationaal Verbond Socialistische Mutualiteiten, Brussel
De Socialistische Mutualiteiten lanceerden in het najaar van 2018 een driejarige campagne rond het thema geestelijke gezondheidszorg. In het kader van deze campagne peilden we met een vragenlijst bij jongeren tussen de 18 en 25 jaar, naar de mate waarin zij prestatiedruk ervaren, van waar die druk komt, hoe ze omgaan met sociale media en met de enorme hoeveelheid aan keuzes die de hedendaagse maatschappij aanbiedt. We gingen na hoe het ervaren van prestatiedruk samenhangt met perfectionistische kenmerken, intens gebruik van sociale media, en ‘Fear Of Missing Out’ (FOMO).
Uit de enquête blijkt dat heel wat jongeren prestatiedruk ervaren, vooral op het vlak van hun opleiding (91%) en in hun sociale leven (64%), maar ook op het werk (58%) en thuis (56%). Die druk om te presteren komt vaak vanuit de jongere zelf (35%), vanuit de maatschappij (30%) of de ouders (21%).
Voor ongeveer 10% van de jongeren speelt hun sociale mediagebruik een ongezonde rol in hun leven en 1 op de 10 jongeren ervaart ernstige FOMO.
De invloed van perfectionisme komt duidelijk naar voren. Ongeveer 40% van de jongeren heeft perfectionistische kenmerken. Jongeren die hoger scoren op perfectionisme ervaren ook meer prestatiedruk, meer FOMO, rapporteren meer ongezond sociale mediagebruik én meer emotionele en lichamelijke klachten. Ongeveer de helft van de jongeren duidden 6 of meer lichamelijke of emotionele klachten aan. Ze ervaren vooral vermoeidheid (85%), piekeren (66%) en lichamelijke klachten (64%). De helft van de jongeren rapporteert somberheid en ruim een derde spreekt van angstklachten.

P11 COSA: omdat uitsluiten altijd fout loopt
Steve Van Veldhoven, professionele bachelor, coördinator, CAW Antwerpen, Berchem
COSA is een cirkelmethodiek ter ondersteuning van de re-integratie van zedendelinquenten met een matig tot hoog recidiverisico. Onderzoek heeft meermaals aangetoond dat zedendelinquenten sociaal geïsoleerd leven en dat dit isolement een immens risico tot recidive inhoudt. COSA wilt hier een effectief antwoord op bieden. Door enerzijds de kwaliteit van leven van de zedendelinquent te verhogen, voorkomen we anderzijds het herval en het ontstaan van nieuwe slachtoffers. Onderzoek in het buitenland heeft daarenboven de effectivitiet van deze benadering van seksueel grensoverschrijdend gedrag meermaals aangetoond.
Wat COSA uniek maakt, is dat deze methodiek met vrijwilligers aan de slag gaat. Zij creëren een alternatief netwerk zodat de zedendelinquent niet in een risicovol isolement valt en er zo terug nieuwe slachtoffers dreigen te vallen.
De COSA-methodiek omvat een dubbele cirkel. In de binnencirkel gaat een groepje vrijwilligers met het kernlid (COSA-benaming voor de betrokken zedendelinquent) aan de slag. De professionele behandelaars krijgen een plek in de buitencirkel. COSA gaat met hen een samenwerking aan die in een formele overeenkomst vervat zit. In deze constructie schuilt de grote kracht van de methodiek: de ene cirkel ondersteunt de andere. De behandeling van de gespecialiseerde professional weet zich gedragen door de generalistische ondersteuning die de vrijwilligers bieden. De cirkelcoördinator (professionele kracht binnen COSA) is in deze samenwerking zowel de spil als de liaison. Deze modus operandi heeft zijn effectiviteit al meer dan bewezen en zorgt er voor dat deze methodiek voor iedereen een win-win is. In vele Angelsaksische landen is deze aanspraak al als standaardbenadering van seksueel delinquenten geïnstitutionaliseerd.

P12 Het PINO-project: samen naar een verbeterde SBI aanpak tegen overmatig alcoholgebruik
Bram Pussig, msc, phd student, Academisch Centrum voor huisartsgeneeskunde, Leuven
Background: Primary health care-based early identification and brief intervention for hazardous and harmful alcohol use (EIBI) is clinically effective and cost-effective. It has potentially a large impact at societal level but remains poorly implemented in daily practice. Studies have demonstrated the ability of training and support programmes to increase primary health care-based screening and brief advice activity to reduce heavy drinking. However, gains have been only modest and short term at best. More recently, multicomponent programmes have shown that simultaneously addressing several barriers to the implementation of EIBI might be more successful. A more effective uptake could also be achieved by embedding primary health care activity within broader community and municipal support.
Method: A quasi-experimental implementation study will be undertaken in Flanders to assess the effects of tailored training and support to general practitioners (GPs) alone or in an area context of alcohol community actions compared to ‘usual support’ on GP’s performance in terms of early identification of hazardous and harmful drinking and brief intervention. The primary outcome, evaluating the GP’s progression, will be the proportion of consulting adult patients screened for hazardous and harmful alcohol use at the end-point of an 18-month implementation period. Furthermore, the relation between GP’s views and needs and practices’ contexts, and EIBI performance will be explored. Data regarding screening and brief intervention activities will be collected from the electronic health records (EHR).
Results: This project will inform public policy for prevention and help to improve quality assurance to reduce risky alcohol use patterns.

P13 Hervorming in de Belgische geestelijke gezondheidszorg
Sarah Morsink, doctor, expert geestelijke gezondheidszorg, FOD Volksgezondheid, Brussel
De Belgische geestelijke gezondheidszorg onderging de voorbije tien jaar belangrijke veranderingen gekaderd binnen een continue transformatie van een organisatie-gestuurd aanbod naar een gemeenschapsgerichte, vraag-gestuurde en gedifferentieerde gezondheidszorg via transorganisationele netwerken en gestoeld op een herstelgerichte aanpak. Deze poster beschrijft de doelen, het proces, de resultaten en aanbevelingen in de hervorming van de Belgische ggz voor volwassenen. Deze hervorming werd recent verkozen als "good practice" door de Wereldgezondheidsorganisatie.
Bronnen:
“Guide towards a better mental health care" (www.psy107.be)

 

P14 Voorstelling van een groepstraining voor volwassenen met paniekklachten en agorafobie
Sara Scheveneels, doctor in de psychologie, postdoctoraal onderzoeker, Centrum Leerpsychologie en Experimentele Psychopathologie KU Leuven
Met een lifetimeprevalentie rond 4 percent is paniekstoornis met agorafobie een veelvoorkomend psychologisch probleem. Bovendien is het een invaliderende stoornis die vaak een chronisch beloop kent. Voor paniekstoornis met agorafobie is de psychologische behandeling van voorkeur (cognitieve) gedragstherapie. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de werkzame onderdelen in deze behandeling bestaan uit: psycho-educatie, interoceptieve exposure, exposure in vivo en cognitieve therapie.
Via deze posterpresentatie stellen we een groepstraining voor ter behandeling van paniek en agorafobie die op PraxisP (KU Leuven) wordt aangeboden. De training richt zich op volwassenen en heeft tot doel dat deelnemers minder bang zijn om een paniekaanval te krijgen en beter functioneren in hun dagelijks leven door vermijdingsgedrag af te bouwen. We bespreken het verloop van de training met de verschillende onderdelen, die steeds verband houden met onderliggende (psychologische) processen en gebaseerd zijn op de laatste wetenschappelijke inzichten.

P15 Het Psychiatrisch Expertiseteam, op de brug tussen de eerstelijnszorg en de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg
Arne Ruckebusch, psycholoog, coördinator, Psychiatrisch Expertiseteam, Brugge
Het Psychiatrisch Expertiseteam (PET) is een initiatief van het Netwerk Geestelijke Gezondheidszorg (volwassenen) regio Noord-West-Vlaanderen en het West-Vlaams Integrerend Netwerk Geestelijke Gezondheid (kinderen en jongeren).
Het PET ondersteunt eerstelijnsactoren bij vroegdetectie en vroeginterventie van ernstige psychische problemen en verzorgt eventueel toeleiding naar gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.
Deze opdrachten realiseren we aan de hand van verschillende acties en methodieken; vorming, coaching, screening, advies, netwerking, kortdurende behandeling, etc.
Bronnen:
“Onderzoeksrapport eerstelijnspsycholoog” (J. De Maeseneer et al., 2009)

 

P16 Help! Onze agenda’s puilen uit
Ellen Excelmans, klinisch psycholoog, coördinator, Psychologennet, Heist op den Berg
Niet alleen centra geestelijke gezondheidszorg kennen wachtlijsten. Meer en meer zien we dit fenomeen ook optreden in privé-praktijken. Gemiddeld moeten cliënten 2 tot 3 maanden wachten vooraleer een behandeling kan opgestart worden. In Psychologennet proberen we dit anders aan te pakken. We bieden snel een eerste gesprek aan. Dit gesprek is een oriënteringsgesprek: op een half uur tijd proberen we zicht te krijgen op de hulpvraag van een persoon en een gericht behandeladvies te geven. Op deze manier kunnen we mensen snel doorverwijzen naar een andere instantie als blijkt dat we geen antwoord kunnen geven op de hulpvraag. Indien we wel de nodige expertise in huis hebben, dan zetten we de cliënt op de wachtlijst. Enkel wachten op de opstart van een begeleiding vinden we deontologisch niet verantwoord. Daarom bieden we online een aantal modules aan waar mensen reeds aan de slag kunnen met een aantal transdiagnostische problemen: stress, angst, piekeren, slaapproblemen en een negatief zelfbeeld.
Deze poster belicht een aantal preliminaire resultaten over de inzet van de online zelfhulp tools in afwachting van de opstart van een behandeling

P17 Mobiele Zorgtoeleiding - een grensoverschrijdende aanpak
Paul Keppel, hbo, ambulant psychiatrische verpleegkundige/maatschappelijk werk/Agoog, mobiele Zorgtoeleiding GGZinGeest, Hoofddorp
Stel je de casus voor van een persoon die je aandacht trekt: verward cq opvallend gedrag, slecht verzorgd, contactmijdend en een sterk vermoeden van dakloosheid. Geen acute problematiek. Je hebt het sterke vermoeden van het ontbreken van een actief zorgkader. Deze persoon komt vaker bij je in beeld en doe je vaker een hulpaanbod. Maar dit leidt niet tot een samenwerking. Je besluit iets dieper in de casus te duiken. Zo kom je er achter dat deze persoon op meerdere plekken in het land komt en mogelijk ook daar buiten. Inschrijfadres, inkomen en verzekering ontbreken. Op meerdere plekken worden de zorgen gedeeld, maar geen enkele instantie wil of kan de casus oppakken. De situatie waarin de persoon verkeert blijft ongewijzigd en de teloorgang duurt voort... Familie of naasten, voor zover betrokken, staan machteloos bij het uitblijven van hulp en zorg.
Vanaf 2018 zijn we op Schiphol Airport gestart in een samenwerking met Schiphol Social Work en GGZinGeest om de problematiek en de doelgroep in kaart te brengen. Aanleiding was een groep van 10 personen op Schiphol die niet naar hulp of zorg waren toe te leiden. Allen voldeden aan de kenmerken van EPA (ernstig psychiatrische aandoening), langdurig bestaand, geen zorgkader, waar het bestaande hulp- en zorgaanbod geen antwoord op had.
Kortom een uitdaging, waarbij snel duidelijk werd dat de oplossing buiten de gestelde kaders zou komen te liggen.
Gezien de regio-overstijging is de aandacht gelegd op samenwerking en verbinding met een langdurige betrokkenheid; landelijk en internationaal.
Dit met als uitgangspunt niets doen is geen optie.

 

P18 50 tinten grijs in psychiatrie: medioren zijn in, niet oud
Lies Clerx, doctor in psychologie, transmuraal manager volwassenen/ouderen, Asster VZW, Sint-Truiden
De afgelopen jaren stellen we vast dat het concept oudere op basis van louter een leeftijdsindeling achterhaald geworden was. Op lichamelijk vlak observeren we dat mensen in vergelijking met enkele jaren terug hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken in een betere algemene toestand dan voorheen en dat deze pensioengerechtigde leeftijd bovendien nog zeer sterk varieert in de 55+-groep. Op vlak van interesses en dagvulling van personen die naar ons verwezen worden, zien we ook een verschuiving met veelal nog een brede of zelfs een bredere waaier van interesses en activiteiten vergeleken met patiënten van enkele jaren terug of zelfs in vergelijking met een jongere patiëntenpopulatie.
Deze waarneming van enerzijds een meer actieve oudere patiëntenpopulatie en anderzijds de melding van patiënten en behandelaars vanuit volwassenen-psychiatrie dat in de volwassenenpsychiatrie het behandelaanbod eerder gericht lijkt op een leeftijdsgroep van personen onder de 50 jaar die uitgedaagd worden op vlak van onder andere combinatie privé-gezins-professioneel leven, maakt dat we vanuit PZ Asster ons meer en meer richten op de mogelijkheden van de patiënt om alzo tot een behandeling op maat te komen.
Concreet betekent dit dat we vanaf heden het leeftijdscriterium van 65+ voor ouderenpsychiatrie binnen Asster verlaten en dat patiënten vanaf 55 jaar en ouder met psychische zorgnoden welkom zijn in onze mediorengroep waarbij in overleg met de patiënt en zijn omgeving een behandeling op maat zal worden opgesteld.
Bovenstaande impliceert een verschuiving van de klassieke ouderenpsychiatrie/psychologie naar een intensiever diagnostische en therapeutisch proces met behandelplannen waarbij we de patiënt zoveel als mogelijk de regie in eigen handen willen geven (herstelgericht werken).

P19 Psychosociaal welzijn en determinanten bij medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg
Ellen Delvaux, master in psychologie, phd in psychologie, onderzoeksmedewerker, IDEWE, Heverlee
In een context waarin zorgen voor anderen heel centraal staat, zoals binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz), is een goede mentale gezondheid van medewerkers belangrijk. Zorgverleners die goed in hun vel zitten, staan garant voor de beste zorg. In het onderzoek onderzochten we het psychosociaal welzijn en de determinanten bij 1.419 ggz-medewerkers. Hiervoor maakten we gebruik van het job demands-resources model als theoretisch kader. In dit model worden zowel de positieve als negatieve kenmerken van de job in kaart gebracht. Bepaalde jobkenmerken kunnen energie kosten (hinderpalen), terwijl andere juist energie geven (hulpbronnen). De hinderpalen kunnen een negatief effect en de hulpbronnen een positief effect hebben op het psychosociaal welzijn van medewerkers. Wanneer we de vergelijking maken met een representatieve referentiegroep voor Vlaanderen valt op dat ggz-medewerkers geen verhoogde kans hebben op burn-out (17% vs. 21%), een belangrijke indicator van het psychosociaal welzijn op het werk. Bovendien vertoont 81% van de GGZ-medewerkers een hoge mate van passie en enthousiasme voor hun job (vs. 58% in de referentiegroep). Wat de hinderpalen en hulpbronnen betreft scoren GGZ-medewerkers slechter op werkdruk (31% vs. 24%) en emotionele eisen (12% vs. 7%), maar kunnen ze beroep doen op verschillende hulpbronnen. Opvallend hierbij zijn de goede ondersteuning door collega’s (74% vs. 57%) en leidinggevenden (66% vs. 52%). Deze hulpbronnen bufferen een mogelijk negatief effect van hinderpalen op het psychosociaal welzijn van GGZ-medewerkers. Samenvattend kunnen we stellen dat de onderzochte GGZ-medewerkers ondanks de vele uitdagingen waarmee ze geconfronteerd worden geen verhoogde psychosociale belasting op het werk ervaren.

P20 Geestelijke gezondheidszorg bij gehospitaliseerde patiënten in een algemeen ziekenhuis
Tine Maes, master, verpleegkundig diensthoofd zorgzone ggz, GZA, Wilrijk
Ongeveer de helft van de gehospitaliseerde patiënten in een algemeen ziekenhuis noo heeft aan psychologische ondersteuning (Desan et al. 2011).
Bij 33% - 35% van de medische gehospitaliseerde patiënten in een algemeen ziekenhuis zou zelfs sprake zijn van een psychiatrische comorbiditeit (Bourgeois et al. 2005).
Deze cijfers onderstrepen het belang van psychologische en psychiatrische zorg bij een opname in een algemeen ziekenhuis. De aanwezigheid van liaisonpsychologen vormt een belangrijke meerwaarde.
De opdracht van de liaisonpsycholoog bestrijkt een breed spectrum. Psychologische zorg aan patiënten met een psychiatrische problemen is slechts één onderdeel van het werk. Er gaat veel aandacht naar het ondersteunen van patiënten met een verscheidenheid aan psychologische vragen zoals bv. coping met somatische ziekte, verkennen en begrijpen van functionele somatische klachten, ... . De focus van de liaisonpsycholoog ligt zowel op vroegdetectie en -interventie van mentale problemen, alsook op curatief werk en crisishantering. De liaisonpsycholoog vervult hierbij een belangrijke oriënterende functie op het vlak van de psychische zorgnoden van de gehospitaliseerde patiënt, zowel binnen het ziekenhuis waar we beroep kunnen doen op gespecialiseerde nevendisciplines zoals bvb pijn-, neuro-of palliatief psycholoog of liaisonpsychiater, als erbuiten met het oog op psychische nazorg. De liaisonpsycholoog kan gevraagd worden door de patiënt zelf of door de behandelend arts of andere teamleden. Naast patiëntgerichte zorg, zet de liaisonpsycholoog ook in op het ondersteunen van medische teams in het omgaan met psychische of psychiatrische klachten bij patiënten. Met cijfers uit ons jaarverslag 2019 lichten wionze liaisonwerking in GZA toe.
Bronnen:
Bourgeois, J., Kremen, W., Servis, M., Wegelin, J., Hales, R., (2005) The impact of psychiatric diagnosis on length of stay in a university medical center in the managed care era. Psychosomatics, 46 (5). https://doi.org/10.1176/appi.psy.46.5.431
Desan, P., Zimbrean, P., Weinstein, A., Bozzo, J., Sledge, W., (2011) Proactive psychiatric
consultation services reduce length of stay for admissions to an inpatient medical team.
Psychosomatics, 52 (6). https://doi.org/10.1016/j.psym.2011.06.002

P21 ‘Ik heb nood aan iemand die me van A tot Z kan begeleiden’; Noden en ervaringen van niet-bereikte druggebruikers in Gent
Freya Vander Laenen, dr. (phd), hoofddocent criminologie, UGent
Doel: De ervaringen en noden van druggebruikers in Gent in kaart brengen die niet bereikt worden door de (drug)hulpverlening.
Methode: Interviews met 47 druggebruikers, via laagdrempelige organisaties en via sneeuwbal.
Resultaten: De gebruikers hebben vooral nood aan financiële hulp, betaalbaar wonen, een zinvolle dagbesteding, werk, gratis somatische zorg en in het bijzonder gratis tandzorg. Een uitbreiding van spuitenruil en meer informatie over veilig gebruik en overdosispreventie, zijn van belang. Daarnaast hebben zij nood aan informatie over het hulpverleningsaanbod en aan hulpverlening op het moment dat zij daar nood aan hebben. Bij hulpverlening is de continuïteit van de hulpverlener belangrijker dan de continuïteit van de hulpverlening.
Dakloze gebruikers leggen nadruk op een uitbreiding van (een veilige) nachtopvang, op gebruikersruimtes, voedselbedeling en meer voorzieningen voor basishygiëne. Bijzonder kwetsbare groepen bleken gebruikers in kraakpanden (omwille van het isolement en het wantrouwen) en nieuwkomers uit Centraal- en Oost-Europa (omwille van een gebrek aan kennis van de (drug)hulpverlening en het gebrek aan kennis rond veilig gebruiken).
Minder prioriteit geven druggebruikers aan geestelijke gezondheidszorg. Toch bleek uit de bevraging dat 7 op de 10 van de respondenten psychische problemen ervaren.
Besluit: Deze groep bereiken is mogelijk, mits intensief in alternatieve manieren van contactname wordt geïnvesteerd.

P22 Hulpverleners met cliëntervaring in GGZ
Jasmine Mezzofonte, professionele bachelor, ergotherapeut en ervaringsdeskundige, Bekkevoort
De herstelvisie is op de dag van vandaag niet meer weg te denken uit de huidige geestelijke gezondheidszorg. Door de implementatie van het herstelgericht werken binnen de ggz wordt er tegenwoordig meer en meer gebruikt gemaakt van ervaringsdeskundigen.
Een zeer goede ontwikkeling, maar wat als we nu een stap verder gaan?
Staan we er eigenlijk bij stil hoeveel hulpverleners zelf cliëntervaring hebben? Hoeveel van deze hulpverleners is hier open over? Hoeveel van hen gebruikt zijn eigen ervaringen om cliënten te helpen? Wat is de uiteindelijke meerwaarde en/of valkuil om eigen cliëntervaringen te gebruiken in de hulpverlening?
Als hulpverlener met cliëntervaring zijn dit vragen die ik me al lang stel en waarop ik een antwoord wil weten. Vanuit mijn eigen ervaringen merk ik dat er nog heel wat (zelf)stigma bestaat rond dit thema. Ik besloot daarom om dit thema verder te onderzoeken en uit te werken als eindwerk voor mijn opleiding ‘Masterclass Herstelgerichte Psychiatrie’ aan de UGent en KU Leuven.
Om antwoorden te vinden op mijn vragen werden verschillende interviews afgenomen bij hulpverleners die voldeden aan de criteria. Omwille het grote aantal deelnemers, werden er ook enkele digitale vragenlijsten ingevuld. De resultaten worden momenteel verwerkt en worden in juni 2020 gepresenteerd.
Bronnen:
van Meekeren, E., (2017) - Zelfonthulling. Openheid van professionals in de ggz. (Amsterdam, uitgeverij Boom)
Van De Giessen, I., (2017) - Participatie en herstel: inzet eigen kwetsbaarheid in hulpverlening (Amsterdam, uitgeverij SWP)

P23 Zoek het niet (te) ver
Liese Leunens, licentiaat psycho-pedagogische wetenschappen, oprichter Poëziejegraag, Elingen
Sinds 2 jaar ben ik (als zelfstandige in bijberoep) met Poëziejegraag bezig en wil tekstjes delen. Nadruk ligt op het herkenbare, relativerende en het verbindende karakter. Ook de positieve invalshoek is voor mij belangrijk.
Als ik iemand kan doen glimlachen, ben ik zeer tevreden. Sommige lezers zeggen me dat ze steun halen uit mijn teksten.
Terug oog en oor hebben voor elkaar. Geen zware theorieën, gewoon doen!
Taal is een krachtig bindmiddel!
Zo ben ik ook bezig met een project: Mensen schrijven kaartjes, kaartjes verbinden mensen.
En krijg hier dankbare reacties op.
Mijn dochters maakten een Instagram-account aan en ik heb momenteel meer dan 4000 volgers. Op deze Instagram-account (@poeziejegraag) staan mijn korte teksten. Sinds kort heb ik ook website (www.poeziejegraag.be)
Ik schrijf ook langere teksten over verbinding en relaties.
Bronnen:
https://www.youtube.com/watch?v=mKxSlZGrT_A&t=285s