2 - 5 februari 2021
Het tiende ggz-congres:
een feest waard!

symposia

Donderdag 4 februari 2021

11u00 - 12u30
S19 Verslaving en herstel
voorzitter Frieda Matthys
S19.0 Is verslaving behandelbaar | PDF
Frieda Matthys,
psychiater, professor psychiatrie, VUB, Brussel

Veel mensen binnen en buiten de ggz zijn pessimistisch over de behandelresultaten bij verslaving. Nochtans blijken die de vergelijking met andere aandoeningen goed te kunnen doorstaan.

S19.1 Wat maakt verslaafd zijn zo hardnekkig
Cleo Crunelle, arts, postdoctoraal onderzoeker, UZ Brussel

 

De inzichten sinds de jaren negentig in hoe verslaving ontstaat waren zeer verhelderend. Tegelijkertijd hebben ze het pessimisme gevoed dat de veranderingen in de hersenen zo definitief zijn, dat herstel niet mogelijk is.

S19.2 Hoe kunnen we de neurobiologische kennis gebruiken in psychotherapie?
Paul Van Deun, psycholoog, zelfstandig therapeut, voorzitter VAD

Nu we weten wat zich in het brein afspeelt bij mensen die verslaafd zijn, kunnen we daar in de therapie rekening mee houden en onze behandeling effectiever maken.

S19.3 Is het concept herstel ook toepasbaar op verslaving?
Peter Joostens, psychiater, beleidspsychiater Team Algemene Psychiatrie en Mobiel Crisisteam Alexianen Zorggroep Tienen; verantwoordelijk psychiater CGG VBO-Tienen

De implementatie van de herstelvisie in de ggz schrijdt gestaag maar zeker verder. De “inkanteling” van de verslavingszorg in de ggz heeft dit proces een versnelling gegeven. Een doorgedreven vermaatschappelijking en generalisering van de zorg wordt door sommige hersteladepten als het summum van vraagsturing, eigen regie en zorg op maat gezien. Alleen dreigen we zo het specialistische karakter aan de aanbodzijde van de verslavingsexperten te verdunnen. Hoe kunnen we dit oplossen? Een voorstel.

S19.4 Herstellen mensen ook zonder professionele hulp
Frieda Matthys, psychiater, professor psychiatrie, VUB, Brussel

Eens verslaafd, altijd verslaafd, zo luidt het adagium van sommige verslaafden én deskundigen. Nochtans blijkt dat veel mensen zonder professionele hulp na enkele jaren niet meer aan de criteria van verslaving beantwoorden.

 

11u00 - 12u30
S20 Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP)

voorzitter Eva Dumon
S20.0 Suïcidepreventie in Vlaanderen: nieuwe studies, adviezen en tools van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie
Eva Dumon, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP)

Suïcidale gedachten, suïcidepogingen en suïcides komen frequent voor in Vlaanderen en de preventie ervan is hoognodig, maar ook complex. Het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) is voortdurend op zoek naar nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontwikkelt in het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie adviezen en tools om de zorg voor suïcidale personen te kunnen versterken en suïcide te helpen voorkomen.
In dit symposium maak je kennis met de ontwikkeling van een nieuwe game voor het versterken van de geestelijke gezondheid bij jongeren en krijg je een overzicht van online tools die je als hulpverlener kan gebruiken in de begeleiding van suïcidale personen. Verder komen in dit symposium de resultaten aan bod van de Insight-studie, een studie naar oorzaken en risicofactoren van suïcide bij 45-60-jarigen. Tot slot biedt dit symposium praktijkadviezen en een kijk op een online leermodule over suïcidepreventie bij de doelgroep van ouderen.

S20.1 Ontwikkeling van een serious game gericht op het versterken van de geestelijke gezondheid bij jongeren
Eva De Jaegere, onderzoekscoördinator, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

Suïcide is de belangrijkste doodsoorzaak bij adolescenten tussen 15 en 19 jaar in Vlaanderen. Bijna één op tien jongeren heeft ooit een poging ondernomen en 25% had gedachten over suïcide in het afgelopen jaar.
Een serious game gericht op het versterken van het mentaal welbevinden bij jongeren kan een bijdrage leveren aan de universele preventie van suïcidaal gedrag bij jongeren. Het VLESP werkte een prototype uit van dergelijke serious game. Uit de evaluatie van dit prototype bleek dat de game jongeren hielp bij het herkennen van denkfouten en hun inzicht in hun eigen denkfouten verbeterde. Momenteel wordt de volledige game ontwikkeld en zal deze onderzocht worden aan de hand van een effectiviteitsstudie. In deze presentatie worden de ontwikkeling van de game en het protocol van de studie voorgesteld.

S20.2 Online tools voor suïcidepreventie
Nanouschka Verhamme, stafmedewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

Deze bijdrage omvat een overzicht van de verschillende online tools die de laatste jaren ontwikkeld werden door het VLESP en aangeboden worden op www.zelfmoord1813.be, waaronder de app BackUp, de online zelfhulpcursus Think Life en het safety plan.
Wat is de meerwaarde van deze tools? Wat zijn de valkuilen? Wat weten we over hun effectiviteit? En hoe ga je er als hulpverlener praktisch mee aan de slag in de begeleiding en behandeling van suïcidale personen?

S20.3 Insight-studie: een psychologische autopsie studie naar de risicofactoren en oorzaken van suïcide bij 45-60-jarigen
Renate van Landschoot, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

De Vlaamse suÏcidecijfers tonen aan dat de laatste jaren voor bijna alle leeftijdsgroepen een dalende trend is vast te stellen, behalve voor mannen en vrouwen in de leeftijdsgroep 45 tot 60 jaar. De Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, verbonden aan de Universiteit Gent, zette daarom samen met het VLESP de Insight-studie op om meer kennis te krijgen over mogelijke risicofactoren en oorzaken van suïcide in deze leeftijdsgroep.
Tijdens de presentatie worden de onderzoeksresultaten toegelicht, alsook de mogelijkheden om beter preventief te werk te kunnen gaan om 45-60-jarigen die het moeilijk hebben, beter te kunnen begrijpen, opvangen en begeleiden.

S20.4 Suïcidepreventie bij ouderen: nieuwe adviezen en e-learning
Eva Dumon, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

Ook ouderen vormen een risicogroep voor het ontwikkelen van zelfmoordgedachten en voor het overlijden door suïcide. Zo komt suïcide meer voor bij ouderen van 70 jaar en ouder dan bij andere leeftijdsgroepen. Er rust echter een groot taboe op het spreken over en aanpakken van zelfmoordgedachten bij ouderen, zowel vanuit ouderen zelf als vanuit hulpverlening. Om dit stigma te doorbreken en zorg- en hulpverleners te ondersteunen bij het herkennen, bespreekbaar maken en behandelen van zelfmoordgedachten bij ouderen, werkte het VLESP nieuwe adviezen en een e-learningmodule uit, die in deze presentatie worden voorgesteld.

11u00 - 12u30
S21 Het betrekken van naasten en het ondersteunen van KOPP-kinderen in de GGZ | PDF

voorzitter Evelien Coppens, projectleider, LUCAS KU Leuven

De geestelijke gezondheidszorg (ggz) ondergaat grote veranderingen. Zo vindt de zorg vandaag meer en meer plaats in de natuurlijke leefomgeving van de zorggebruiker. Significante derden zoals ouders, partners, kinderen, familieleden en vrienden spelen een centrale rol in het leven van de zorggebruiker. Maar ook omgekeerd heeft de zorggebruiker een impact op het leven van de familie.
Een ‘familiereflex’ en een‘kindreflex’ zijn meer dan ooit aan de orde. Het is belangrijk dat voorzieningen en hulpverleners de naasten en de kinderen van de zorggebruiker een plaats geven in het behandeltraject en waar nodig ondersteunen.
Dit symposium staat stil bij recente ontwikkelingen op dit vlak.
De eerste bijdrage gaat dieper in op de signalen van naasten, de noden van kinderen van ouders psychische problemen en de noodzaak om actief in te zetten op familie, volwassenen en kinderen.
Een tweede bijdrage presenteert de multidisciplinaire richtlijn die het Steunpunt Welzijn,Volksgezondheid en Gezin recent ontwikkelde om directies,beleidsmedewerkers en hulpverleners werkzaam in de ggz te ondersteunen in hun beleid en dagelijks handelen inzake het betrekken van naasten.
Een derde bijdrage focust op de juridische vragen die het betrekken van naasten met zich meebrengt.
Een vierde bijdrage gaat over de Kindreflex die sinds 2019 geleidelijk zijn weg vindt in het zorglandschap en bedoeld is om kinderen van ouders met psychische problemen beter te ondersteunen.

S21.0 De Familiereflex in de ggz: nood aan een volgende versnelling?!
Kim Steeman, coördinator, Familieplatform Geestelijke Gezondheid, Berchem

Onderzoek toont aan dat het ontmoeten, betrekken, ondersteunen en informeren van familieleden en kinderen op zowel de familie, de cliënt als de hulpverlener een positieve impact heeft.
Nog te vaak echter ontvangt Familieplatform via familie en familieorganisaties signalen dat familieleden door hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (ggz)te weinig gezien, erkend en betrokken worden.
Tussen ggz-organisaties én individuele hulpverleners bestaan er grote verschillen in de manier waarop familie een plaats krijgt in het behandeltraject. Met het scheppen van kaders zoals de multidisciplinaire richtlijn om naasten sterker te betrekken in de ggz, willen we ggz-organisaties uitnodigen om systematisch de familiereflex te maken en naasten en hun kinderen een gelijkwaardige plaats in de zorg te geven.
Tijdens deze presentatie gaan we dieper in op de signalen van naasten,beschrijven we de noden van kinderen van ouders psychische problemen, en benadrukken we de noodzaak om blijvend en actief in te zetten op familie, volwassenen en kinderen.

S21.1 De ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn om naasten sterker te betrekken in de geestelijke gezondheidszorg
Els Vanlinthout, criminoloog, onderzoeker, LUCAS KU Leuven
Evelien Coppens, Tim Opgenhaffen, Sara Scheveneels, Johan Put, Chantal Van Audenhove

Vermaatschappelijking van de ggz verwijst onder andere naar zorg die zich afspeelt in de samenleving zo dicht mogelijk in de natuurlijke leefomgeving van de zorggebruiker. Significante derden waaronder ouders, partners, kinderen,familieleden en vrienden spelen een centrale rol in het leven van de zorggebruiker en visa versa. Ze zijn daarom te beschouwen als belangrijke partners in de zorg die de behandeling en het herstel van de zorggebruiker op een positieve wijze kunnen beïnvloeden.
Om ervoor te zorgen dat naasten hun rol als partner in de zorg adequaat kunnen vervullen, dienen hulpverleners naasten zo goed mogelijk te betrekken en te ondersteunen. Volgens onderzoek gebeurt dit vandaag onvoldoende.
In opdracht van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ontwikkelt LUCAS KU Leuven een multidisciplinaire richtlijn om directies,beleidsmedewerkers en hulpverleners werkzaam in de ggz te ondersteunen in hun beleid en dagelijks handelen inzake het betrekken van naasten. De richtlijn is generiek bedoeld en bestaat uit aanbevelingen voor de mobiele, ambulante en residentiële ggz die werken met zorggebruikers van alle leeftijden. De aanbevelingen zijn wetenschappelijk gefundeerd en gebaseerd op: (1) een analyse van de wetenschappelijke literatuur, (2)consultatie van vertegenwoordigers van beroepsverenigingen,koepelorganisaties en familie- en patiëntvertegenwoordigers, en (3) een juridische analyse om te waarborgen dat de aanbevelingen conform de rechten van de mens zijn.

S21.2 Juridische hefbomen en grenzen bij het betrekken van naasten
Tim Opgenhaffen, postdoctoraal onderzoeker, Instituut voor Sociaal Recht, KU Leuven

Het betrekken van naasten roept juridische vragen op, zeker wanneer hierbij informatie over de zorggebruiker gedeeld wordt. Zowel uit de Wet Patiëntenrechten als uit het beroepsgeheim volgen immers regels over wanneer hulpverleners informatie al dan niet moeten of mogen delen.Voldoende kennis van deze regels vermijdt enerzijds dat informatieonrechtmatig gedeeld wordt, en anderzijds dat naasten niet betrokken worden omdat dit ten onrechte ontoelaatbaar geacht wordt.
Deze bijdrage gaat dieper in op de hefbomen en grenzen die in het recht bestaan wanneer naasten betrokken worden. Eerst wordt aan de hand van het toepassingsgebied van en de uitzonderingen op het beroepsgeheim ingegaan op de voorwaarden om informatie met naasten te mogen delen. Daarna komt aan bod hoe naasten betrokken kunnen worden wanneer het delen van informatie niet mag. Tot slot wordt ingegaan op de vraag hoe naasten betrokken moeten worden wanneer de zorggebruiker niet beslisbekwaam is.

S21.3 De Kindreflex: een stappenplan om de opvoedvaardigheden van zorggebruikers te versterken en verontrustende gezinssituaties vroegtijdig op te sporen | PDF
Evelien Coppens,
dr., projectleider, LUCAS KU Leuven
Bijkomende auteurs:
Kathleen De Cuyper, Chantal Van Audenhove

Vlaanderen telt op jaarbasis circa 350.000 kinderen en jongeren die opgroeien bij een ouder met een psychisch of een verslavingsprobleem. Veel KOPP-kinderen zitten met vragen over wat er met hun ouder aan de hand is maar kunnen vaak nergens terecht met hun zorgen. Gevoelens van machteloosheid, onbegrip en schaamte kunnen de kop opsteken en het welzijn van deze kinderen aantasten. Een derde van de KOPP-kinderen ontwikkelt later zelf ernstige en langdurige psychische problemen. De psychische en verslavingsproblemen van ouders kunnen daarnaast leiden tot verontrustende gezinssituaties.
In 2018 ontwikkelde LUCAS KU Leuven in opdracht van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin de Kindreflex – een waakzaamheidsinstrument voor hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) om de opvoedvaardigheden van volwassen zorggebruikers met kinderen te versterken en verontrustende gezinssituaties vroegtijdig op te sporen (Coppens et al., 2018, De Kindreflex: de ontwikkeling van een Vlaamse Kindcheck met toepassing in de GGZ, Leuven). In 2019 ging het Vlaams Expertisecentrum voor Kindermishandeling van start met de implementatie van het instrument en langzamerhand geraakt de Kindreflex ingeburgerd in het zorglandschap.
Deze presentatie gaat dieper in op: (1) hoe de Kindreflex tot stand kwam, (2) wat de Kindreflex is, (3) hoe de Kindreflex in zijn werk gaat, (4) waarom het belangrijk is om de Kindreflex te doen en (5) hoe de implementatie van de Kindreflex verloopt.

11u00 - 12u30
S22 Is eerstelijnspsychologische zorg een meerwaarde? Een reflectie vanuit wetenschappelijk, beleidsmatig en klinisch perspectief

voorzitter Sarah Morsink

S22.0 Inleiding
Sarah Morsink, expert Geestelijke gezondheidszorg, FOD Volksgezondheid, Brussel

S22.1 Eerstelijnspsychologische zorg: een meerwaarde vanuit het public health perspectief?
Ronny Bruffaerts, prof dr., hoofddocent, KULeuven

Vanuit een public healthperspectief wordt de organisatie van de Belgische geestelijke gezondheidszorg onder de loep genomen. De lacunes (treatment gaps) ten opzichte van de reële zorgnoden van de Belgische bevolking worden in deze presentatie besproken. Vanuit internationaal en nationaal onderzoek blijkt dat een brede uitrol van eerstelijnspsychologische zorg noodzakelijk is om een antwoord te bieden op de huidige zorgnoden van onze maatschappij.

S22.2 Terugbetaalde eerstelijnspsychologische zorg in België
Sarah Morsink, expert Geestelijke gezondheidszorg, FOD Volksgezondheid, Brussel

In 2019 werd er een vierjarig project gestart door de federale overheid om de ontwikkeling van toegankelijke en laagdrempelige eerstelijnspsychologische zorg te stimuleren en zo preventie, vroeginterventie en -detectie van psychologisch onwelbevinden of problematiek te versterken. Tijdens deze presentatie wordt deze vernieuwende maatregel met bijbehorende modaliteiten toegelicht.

S22.3 Wetenschappelijke evaluatie van het Belgische eerstelijnspsychologische project
Leontien Jansen, onderzoeker, KULeuven

De federale terugbetalingsmaatregel behelst een proefproject. Een grondige kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie is belangrijk om deze innovatieve maatregel te optimaliseren. Wie maakt gebruik van deze zorg?, Wat zijn goede indicaties voor deze zorg?, Wat is de effectiviteit voor zorggebruiker en maatschappij?, Wat is het zorg- en behandelplan na deze zorg?en Wat is het effect van deze zorg op “treatment gaps?” zijn belangrijke vragen die tijdens deze presentatie aan bod komen.

S22.4 Eerstelijnspsychologische zorg, een klinische ervaring | PDF
Dominique De Schamphelaere, eerstelijnspsycholoog, PEV Eerstelijnspsychologische Zorg, huisartsenpraktijk Campo Santo te Gent (SAB)

Een klinisch psycholoog/orthopedagoog brengt vanuit zijn/haar eigen ervaring en aan de hand van klinische casuïstiek een illustratie van wat eerstelijnspsychologische zorg kan inhouden.

11u00 - 12u30
S23 Handvatten in het omgaan met volwassenen met een autismespectrumstoornis

Sylvie Carette, master in de klinische psychologie, behandelcoördinatie bij volwassenen met ASS, Referentiecentrum Autisme - UZ Gent
Stefaan Vertommen, Atmosfeer UPC KU Leuven (campus Kortenberg)

Ook volwassenen met een autismespectrumstoornis ontwikkelen in de loop van hun leven bijkomende problemen waarvoor ze komen aankloppen bij de geestelijke gezondheidszorg. Sommigen hebben al een diagnose, anderen nog helemaal geen vermoeden. Wat opvalt, is dat die volwassenen anders zijn dan de andere cliënten. De aanpak die bij anderen werkt, lijkt bij hen niet altijd goed aan te slaan.
Om de geestelijke gezondheidszorg ook voor volwassenen met een autismespectrumstoornis meer toegankelijk te maken, willen we vanuit de Referentiecentra Autisme een introductie geven in wat autisme is en hoe zich dat uit in begeleidingen. Daarnaast reiken we hulpmiddelen aan om concreter en meer visueel te communiceren. Een aangepaste communicatiestijl biedt de mogelijkheid om mensen met een autismespectrumstoornis te ondersteunen in een moeilijke periode in hun leven.

11u00 - 12u30
S24 Inleiding

voorzitter Kathleen De Cuyper

 

S24.0 BelRAI in de geestelijke gezondheidszorg | PDF
Kathleen De Cuyper, postdoctoraal onderzoeker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Chantal Van Audenhove

De regionale en de federale overheden hebben ervoor gekozen om de BelRAI-instrumenten te implementeren als uniform assessment-instrument in alle sectoren van welzijn en gezondheid. In de ouderenzorg en thuiszorg werden sinds 2006 reeds verschillende studies gedaan, en werden recent ook eerste implementatietrajecten opgestart. In de ggz staat het gebruik van de BelRAI-ggz-instrumenten nog in zijn kinderschoenen.
In opdracht van de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden de gebruiksmogelijkheden van de BelRAI-ggz-instrumenten getest in de zorg voor personen met een ernstige psychische aandoening, inclusief verslaving in Vlaanderen.
In dit symposium wordt een toelichting geven bij (1) het BelRAI-assessment systeem, (2) de BelRAI-ggz-instrumenten, (3) de (rand)voorwaarden om deze instrumenten te implementeren in de Vlaamse ggz, en (4) de resultaten van de BelRAI-ggz-studies tot hiertoe.

S24.1 De BelRAI GGZ instrumenten als belangrijke bouwsteen voor continuïteit van zorg
Kathleen De Cuyper, postdoctoraal onderzoeker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Vinciane Quoidbach, Anja Declercq & Chantal Van Audenhove | PDF

Continuïteit van zorg is een belangrijk onderdeel van kwaliteit van zorg. De Hoge Gezondheidsraad (2016) definieerde het concept als “het vermogen van de betreffende diensten om tussenkomsten te verlenen die ofwel coherent zijn op korte termijn, zowel binnen als tussen de teams (transversale continuïteit), ofwel de vorm aannemen van ononderbroken contactreeksen over een langere periode (longitudinale continuïteit)”. Het gebruik van een alomvattend assessment systeem over alle sectoren van de (geestelijke) gezondheids- en welzijnssectoren heen - zoals BelRAI er één is – kan continuïteit van zorg ondersteunen.
BelRAI is een set van internationaal gevalideerde assessment-instrumenten die complexe zorgnoden van personen in kaart brengt over de sectoren van (geestelijke) gezondheids- en welzijnssectoren heen. Enerzijds bevatten alle instrumenten dezelfde set van kernitems die een aantal levensdomeinen in beeld brengen: dagelijks en fysiek functioneren, cognitie, gedrag, stemming, sociaal functioneren en de klinische status van de zorggebruiker. Anderzijds bevatten de instrumenten verschillende items die speciaal ontwikkeld werden voor de betreffende deelsector, zoals ook voor de ggz. Achter de instrumenten zitten algoritmes en software die scores op schalen en klinische actieplannen genereren. Deze actieplannen lichten op als er een probleem is dat door behandeling of begeleiding kan verbeteren of voorkomen worden. De actieplannen geven input voor zorgplanning, al genereert BelRAI niet automatisch een persoonlijk begeleidingsplan.
Tijdens deze bijdrage lichten we aan de hand van een casus toe hoe het gebruik van BelRAI de continuïteit van zorg voor personen met een ernstige psychische aandoening kan ondersteunen.

S24.2 Participatief traject ter voorbereiding van de evaluatie van de BelRAI (Community) Mental Health instrumenten in 57 Vlaamse ggz-voorzieningen | PDF
Hanne Van Horebeek, master sociologie, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Kathleen De Cuyper, Petra Habets, Liza Van Eenoo, Ingeborg Jeandarme, Anja Declercq, & Chantal Van Audenhove

De invoering van BelRAI houdt een grote innovatiebeweging in. Alle sectoren hebben immers eigen assessmentmethodes die vaak ook een basis en reglementaire voorwaarde zijn voor financiering. Er moet dus nog wat water naar de zee alvorens we echt aan een nieuw systeem toe zijn. Daarom zetten de onderzoekers bij de start van de BelRAI-ggz-studies een participatief traject op: aan de hand van een open oproep aan de deelnemende voorzieningen werden zeven werkgroepen samengesteld met zorgprofessionals uit verschillende types van ggz-voorzieningen. Negenenveertig voorzieningen participeerden in de werkgroepen die in totaal 14 keer samenkwamen.
Dit participatief traject resulteerde enerzijds in de formulering van een aantal (rand)voorwaarden voor het onderzoek naar het gebruik van BelRAI in de Vlaamse ggz: 1) gebruik van een aangepaste onderzoekssoftware, 2) ontwikkeling van twee bijkomende instrumenten (supplementen), en 3) toevoeging van een inclusie- en exclusiecriterium. Anderzijds werden voorwaarden geïdentificeerd die essentieel zijn voor de daadwerkelijke implementatie van de instrumenten in de Vlaamse ggz: 1) ontwikkeling van een implementatieplan, 2) onderzoeken of items uit de BelRAI (C)MH-instrumenten niet relevant zouden zijn voor de Vlaamse ggz, 3) ontwikkeling van een BelRAI-ggz-screener en een self-assessment voor cliënten, en 4) regulering van gegevensdeling.
Dit participatief traject gaf zodoende een helder overzicht van de (rand)voorwaarden – geformuleerd door de betrokken voorzieningen - waarop onderzoekers en beleidsmakers verder dienen in te zetten opdat de implementatie van BelRAI in de Vlaamse ggz mogelijk zou worden.

S24.3 BelRAI-DUNDRUM-pilootstudie in de forensische ggz | PDF
Petra Habets, doctor, postdoctoraal onderzoeker, Kenniscentrum Forensische Psychiatrische Zorg, Rekem
Hanne Van Horebeek, Kathleen De Cuyper, Kirsten Hermans, Anja Declercq, Chantal Van Audenhove & Inge Jeandarme

In 2018 bevestigden de Belgische federale en regionale overheden hun engagement voor de nationale implementatie van het BelRAI-assessment systeem. Dit beoordelingssysteem bestaat uit instrumenten voor gebruik in alle sectoren van welzijn en gezondheid, inclusief forensisch psychiatrische zorg. Dit systeem beoordeelt echter alleen de zorgbehoeften, terwijl in forensische psychiatrische zorg beveiligingsbehoeften even belangrijk zijn in de zorgplanning. Forensische diensten gebruiken verschillende definities en methodes om dezelfde beveiligings- en zorgbehoeften aan te geven, hetgeen communicatie tussen forensische diensten niet ten goede komt. Dit leidt tot een lagere continuïteit en kwaliteit van zorg. Het gebruik van het BelRAI-assessment systeem kan hierin een uitkomst bieden en ervoor zorgen dat verschillende instanties dezelfde terminologie hanteren en beter geïntegreerd gaan samenwerken.
Acht forensische diensten hebben deelgenomen aan deze pilootstudie. Iedere dienst heeft voor 10 cliënten de BelRAI (Community) Mental Health instrumenten ingevuld, net zoals het interRAI forensisch supplement en de DUNDRUM-toolkit. De cliënten vulden een zelfrapportage versie in van de DUNDRUM-3 en 4. Voorafgaand aan de pilootstudie waren de forensische diensten uitgenodigd om deel te nemen aan een werkgroep over de studie. Deelnemers konden tijdens deze werkgroep feedback geven over de instrumenten en het studieprotocol. Een focusgroep werd georganiseerd na de dataverzameling. Hier konden deelnemers feedback geven over de toepasbaarheid. Tijdens deze presentatie worden de resultaten van de werk- en focusgroep besproken worden alsook de beschrijvende statistieken van de BelRAI en DUNDRUM resultaten.

S24.4 Bruikbaarheid van de BelRAI-ggz-instrumenten in zorg voor personen met een ernstige psychische aandoening, inclusief verslaving | PDF
Kirsten Hermans, doctor, postdoctoraal onderzoeker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Hanne Van Horebeek, Kathleen De Cuyper, Anja Declercq & Chantal Van Audenhove

De bruikbaarheid van de BelRAI-ggz-instrumenten werd getest in 49 voorzieningen die zorg bieden aan personen met een ernstige psychische aandoening (EPA), inclusief verslaving. Na deelname aan de BelRAI-ggz-opleiding (2,5 dag) vulden 89 hulpverleners - voor 10 cliënten per voorziening - het BelRAI (Community) Mental Health instrument in, al dan niet aangevuld met één of meerdere van de supplementen. De 10 cliënten vulden de BelRAI Quality of Life -vragenlijst in. Dit gebeurde via Qualtrics-software zodat de BelRAI-resultaten onmiddellijk beschikbaar waren.
Na de dataverzameling werden enerzijds 7 focusgroepen gehouden met hulpverleners waarin gepeild werd naar de bruikbaarheid van het instrumentarium als input voor zorgplanning. Meer specifiek bevraagden de onderzoekers (1) de geschiktheid van de instrumenten en de resultaten ervan, (2) de haalbaarheid van het gebruik van de instrumenten, en (3) de attitude ten opzichte van het gebruik van BelRAI in de zorg voor personen met een EPA (inclusief verslaving). Anderzijds werd een focusgroep gehouden met directies/coördinatoren over faciliterende en belemmerende factoren voor de implementatie van BelRAI in de Vlaamse ggz. Alle deelnemers van de focusgroepen vulden tenslotte een vragenlijst in waarin gepeild wordt naar de attitude ten opzichte van het BelRAI assessment systeem. De resultaten van de 8 focusgroepen met betrekking tot de bruikbaarheid van de BelRAI-ggz-instrumenten voor zorgplanning worden besproken tijdens deze presentatie.

14u00 - 15u30
S25 Euthanasie bij psychisch lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening

voorzitter Kris Van den Broeck, psycholoog, professor, UAntwerpen, Wilrijk

S25.0 Gerichtheid op de doodswens en het leven
Koen Titeca, psychiater, diensthoofd psychiatrie, AZ Groeninge, Kortrijk

Sinds de euthanasiewet in werking trad, nam het aantal psychiatrische patiënten dat via euthanasie is overleden gestaag toe. Hoewel zij slechts een kleine minderheid van het totale aantal sterfgevallen via euthanasie vertegenwoordigen, beroeren zij de samenleving het meest. Tijdens de laatste jaren heeft dit namelijk geleid tot talrijke verhitte discussies geleid tussen voor-, midden- en tegenstanders van de euthanasiewet bij ‘ondraaglijk psychisch lijden door een psychiatrisch ziektebeeld.’
Tijdens dit symposium zoomen we in op de patiënt die de vraag naar euthanasie stelt en diens naasten.
Wat noopt een patiënt om de vraag naar euthanasie te stellen? Wat maakt hun lijden zo ondraaglijk dat zij de weg naar euthanasie willen bewandelen? Onderzoek leert ons dat de hele euthanasieprocedure soms als een vorm van extra lijden wordt gepercipieerd. Anderzijds leert onderzoek ons ook dat het patiënten een vorm van geruststelling kan bieden, het gevoel van ernstig genomen te worden, en zelfs een hernieuwde kracht kan geven om therapie en dientengevolge het leven een nieuwe kans te geven. We zien in de praktijk dat patiënten hun euthanasieverzoek soms op eigen verzoek intrekken. Mede vanuit deze ervaringen heeft de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie het 2-sporenbeleid geïntroduceerd om met elke patiënt zowel het spoor richting de uitklaring van de euthanasievraag alsook het spoor van alternatieve levenspaden te bewandelen, liefst geflankeerd door de naasten van de patiënt. De laatste jaren heeft de krachtgerichte herstelbeweging het levenspad mee geplaveid.
Dit symposium zal tevens het eerste Inloophuis alsook een nieuw ontworpen informatiebrochure voor patiënten en naasten lanceren.

S25.1 Wat maakt het lijden zo ondraaglijk dat het leidt tot een euthanasieverzoek?
Monica Verhofstadt, klinisch psycholoog, phd researcher, End of Life Care Research Group, VUB-UGent

Ondraaglijk lijden is het meest vage en moeilijk te beoordelen kerncriterium om euthanasieverzoeken ontvankelijk te kunnen verklaren omdat er geen eensluidende definitie of screeninginstrument voor bestaat. Onderzoek naar ondraaglijk lijden binnen de euthanasiecontext had zich voornamelijk gebaseerd op het lijden van overwegend terminale patiënten met een somatische aandoening. Pas in 2017 heeft een eerste wetenschappelijke studie zich gefocust op de analyse van 26 getuigenissen van psychiatrische patiënten met een euthanasieverzoek over de ondraaglijkheid van hun lijden. Vijf domeinen van lijden werden daarbij onderscheiden: 1) medische, 2) intrapersoonlijke, 3) interpersoonlijke, 4) sociaal-maatschappelijke en 5) existentiële vormen van lijden. Daarnaast gaven patiënten ook de omvang van hun lijden aan dat aan de basis van hun euthanasieverzoek lag. Vaak werden patiënten reeds op zeer jonge leeftijd geconfronteerd met tal van problemen die na verloop van tijd accumuleerden, verergerden en vaak een chronisch, therapieresistent en uitzichtloos karakter kregen, waarbij niet alleen de medische wereld, maar ook de maatschappij niet bij machte is gebleken om dit lijden afdoende te lenigen.
Op basis van dit onderzoek werd een screeningsinstrument ontwikkeld: de NEOSi (Nature and Extent of Suffering indices) en aan de hand van interviews met 19 psychiatrische patiënten (zowel met als zonder euthanasieverzoek) getoetst op cognitieve validiteit. Uit de studieresultaten bleek dat alle deelnemende patiënten de NEOSi voldoende begrijpelijk, genuanceerd, exhaustief, zowel makkelijk als trefzeker te beantwoorden vonden. Vanuit preventief en curatief oogpunt kan dit screeningsinstrument een hulpmiddel betekenen voor artsen om het ondraaglijk psychisch lijden op een meer concrete en objectiveerbare manier te evalueren.

S25.2 Hoe kan je herstelgericht ervaringsdeskundig een meerwaarde vormen voor mensen met een euthanasievraag omwille van ondraaglijk psychisch lijden? | PDF
Ann Callebert, klinisch psycholoog, ervarings- en hersteldeskundige, Reakiro en vzw Walden/Expertisecentrum 'Waardig Levenseinde' W.E.M.M.E.L, Br.E.L

Wat ooit begon als een herstelwerkgroep kadert vandaag in een ruimer opgezet inloophuis ‘Reakiro’ voor mensen met een euthanasievraag. Het pilootproject, het eerste in zijn soort, is een samenwerking tussen verschillende organisaties in de geestelijke gezondheidszorg: Broeders van Liefde, het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en de vzw’s Walden en De Hulster. Met respect voor de keuze van de patiënt voor euthanasie exploreren zij in het Reakiroproject de weg van hoop en herstel. Het aanbod richt zich zowel op patiënten als hun naasten.
Daarnaast is er in 2019 gestart met een opleiding voor ervaringsdeskundigen specifiek ter begeleiding van herstelwerkgroepen voor mensen die ondraaglijk psychisch lijden.
Beide krachtdadige voorbeelden van hoe herstelgerichte ervaringsdeskundigheid een meerwaarde kan zijn binnen een euthanasietraject als gevolg van een ernstige psychiatrische diagnose.

S25.3 Informatiebrochure ter informering en ondersteuning van de patiënt en diens naasten
Elise Janssens, orthopedagoge, stagiaire, Vonkel VZW, Gent

Begin 2020 ontwikkelde orthopedagoge Elise Janssens een informatiebrochure rond het thema euthanasie voor het Centrum LevensEindeVragen Gent van Vonkel vzw.
Dit psycho-educatief instrument heeft als doel om niet alleen de patiënt met een euthanasievraag, maar ook diens naasten in een zo vroeg mogelijk stadium correct te informeren en te ondersteunen tijdens een euthanasieprocedure. Het belang van het vroegtijdig informeren en ondersteunen van de naasten is immers van onschatbare waarde in elk stadium van de euthanasieprocedure. Niet alleen kan de betrokkenheid van de naasten meer licht werpen op de redenen achter de euthanasievraag, maar ook de mogelijkheid bieden om zowel de patiënt als diens naasten apart en gezamenlijk te ondersteunen tijdens de duur van de euthanasieprocedure en alle daarmee gepaard gaande emoties, inclusief de emoties tijdens een naderend afscheid.
In de brochure wordt in een eerste luik toelichting gegeven over de substantieve en procedurele voorwaarden (binnen het wettelijk kader en volgens de deontologische code). Daarnaast worden talrijke gesprekstips aangereikt om de gesprekken tussen patiënt en naasten te faciliteren. Afsluitend worden enkele veel gestelde vragen beantwoord en nuttige adressen meegegeven.
De brochure werd voorgesteld aan gespecialiseerde artsen, zorgverleners en ervaringsdeskundigen en conform hun feedback aangepast teneinde de kwaliteit zo goed mogelijk te waarborgen. Bijkomend werd een opleiding voorzien voor de onthaalmedewerkers van Vonkel over het doel en de implementatie van de informatiebrochure, hoe men de naasten van de patiënt correct kan informeren, hun emoties adequaat kan opvangen via de in de brochure aangehaalde gesprekstips, en contactgegevens van andere instanties voor additionele ondersteuning.

14u00 - 15u30
S26.0 Studie longitudinaal onderzoek psychische gezondheid adolescenten

voorzitter Olivia Kirtley

S26.0 Hoe word ik wie ik ben? Nieuwe resultaten van de SIGMA-studie over psychische gezondheid bij adolescenten
Olivia Kirtley, postdoctoral research fellow, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven

In dit symposium worden nieuwe resultaten gepresenteerd van de SIGMA-studie, een longitudinaal onderzoek naar de psychische gezondheid van adolescenten in Vlaanderen. In de eerste golf van het onderzoek(2018-2019) werden bijna 2.000 adolescenten van het eerste, derde envijfde middelbaar en hun ouders bevraagd via verschillende scholen verspreid over heel Vlaanderen. Om unieke inzichten over het dagelijkse leven van jongeren te krijgen, maakte de SIGMA-studie gebruik van de Experience Sampling Method, een soort elektronisch dagboek waarbij jongeren bevraagd werden via een smartphone app, tien keer per dag gedurende zes dagen.
Dit symposium biedt inzicht in factoren die belangrijk zijn voor de psychische gezondheid van jongeren waaronder digitale sociale communicatie, sociale terugtrekking, hechting en zelfverwonding, en de relatie tussen fysieke activiteit en psychische klachten.

S26.1 De rol van digitale communicatie in de sociale wereld van de hedendaagse jongere | PDF
Robin Achterhof, master of science, phd candidate, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven

Technologische ontwikkelingen hebben de afgelopen twintig jaar een enorme verandering teweeggebracht in de manier waarop we met elkaar communiceren. De moderne mens, en de moderne jongere in het bijzonder, lijkt nu continu met elkaar in contact te staan. Toch zijn er veel geluiden te horen dat de opkomst van bijvoorbeeld de smartphone en sociale media vooral negatieve gevolgen heeft. Middelen die ons socialer zouden moeten maken, zouden er vooral voor zorgen dat we asocialer worden. Desondanks is er vooralsnog echter weinig bekend over de rol van digitale communicatie in de sociale levens van jongeren. Het SIGMA-onderzoek stelt ons in staat om beter te begrijpen wie vooral online communicatie gebruikt, en wie van dit gebruik voordelen dan wel nadelen ondervindt. Door 1.913 Vlaamse jongeren meermaals in hun dagelijks leven te bevragen, kunnen we betrouwbaardere inschattingen maken van zowel de hoeveelheid online sociaal gedrag die zij vertonen, als van hoe zij hun sociale wereld ervaren. Hierdoor kunnen we onderzoeken of diegenen die meer online in contact zijn juist meer of minder sociale contacten in ‘de echte wereld’ hebben, en of zij over het algemeen getypeerd worden door een negatievere of positievere sociale ervaring. Daarnaast richten we ons op de vraag of sommige jongeren zich beter voelen wanneer zij online i.p.v. offline in contact zijn, en zo ja, welke jongeren dit dan zijn.

S26.2 Sociale terugtrekking bij adolescenten: wanneer is tijd alleen te veel tijd alleen?
Eva Bamps, phd candidate, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven

Sociale terugtrekking is gelinkt aan eenzaamheid en een verhoogde kans op het ontwikkelen van mentale gezondheidsproblemen. We weten echter niet wanneer sociale terugtrekking leidt tot negatieve of net tot positieve gevolgen. Er is ook weinig geweten over sociale terugtrekking in de adolescentie, terwijl dit net een cruciale periode is voor de ontwikkeling van zowel de positieve als de negatieve gevolgen.
In deze presentatie delen we resultaten van onderzoek over de kenmerken van sociaal teruggetrokken jongeren, gebruik makend van informatie verzameld in hun dagelijks leven via een smartphone. Deze studie maakt gebruik van de gegevens van 1.913 jongeren tussen 12 en 16 jaar die verzameld werden in het kader van de SIGMA-studie, een grootschalig onderzoek over welzijn en geestelijke gezondheid bij jongeren uit heel Vlaanderen. De jongeren beantwoordden vragenlijsten over psychische klachten, identiteitsvorming en sociale steun. Daarnaast kregen de jongeren een smartphone waarop ze korte vragenlijsten invulden over hun gemoed, sociale omgeving en activiteiten, tien keer per dag voor een periode van zes dagen. Inzichten van deze studie kunnen mogelijk de jongeren die hulp nodig hebben gemakkelijker identificeren terwijl we de positieve gevolgen van sociale terugtrekking niet in het gedrang brengen.

S26.3 De rol van gehechtheid in de ontwikkeling van zelfverwondingsgedachten en -gedrag bij jongeren
Julie Janssens, phd candidate, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven

Onderzoek toont aan dat zelfverwonding een veelvoorkomend probleem is bij adolescenten. Tijdens deze leeftijdsfase gebeuren er belangrijke relationele verschuivingen waarbij jongeren worden verwacht los te komen van hun ouders en vriendschappen in belang toenemen. Eerder onderzoek vertelt ons dat een veilige gehechtheidsrelatie met ouders en vrienden een beschermende factor kan zijn tegen zelfverwonding bij jongeren. In onderzoek wordt meestal gebruik gemaakt van zelfrapportage vragenlijsten om de relatie tussen hechting en zelfverwonding beter te begrijpen,maar slechts weinig studies hebben deze relaties in het dagelijkse leven onderzocht.
Het huidige onderzoek wil het verband nagaan tussen hechting (met moeder, vader en vrienden) en zelfverwondingsgedachten en -gedrag. Om geheugenbias te minimaliseren en betrouwbaarheid te verhogen, maakt dit onderzoek gebruik van de Experience Sampling Methode (ESM) welke zelfverwondingsgedachten en -gedrag nagaat in het dagelijkse leven van jongeren. De huidige studie maakt deel uit van de grootschalige SIGMA-studie, die geestelijke gezondheid en welzijn onderzocht bij 1.913 jongeren tussen 12 en 16 jaar. Adolescenten beantwoordden vragenlijsten over zelfverwondingsgedachten en -gedrag en hechting, en kregen bovendien ook korte vragenlijsten over stemming, sociale interacties en zelfverwonding via een smartphone, tien keer per dag gedurende zes dagen. De resultaten van dit onderzoek kunnen ons helpen zelfverwonding bij jongeren nog beter te begrijpen, en kunnen toekomstig onderzoek en klinisch werk sturen in het aanpakken van zelfverwondingsgedachten en -gedrag.

S26.4 De rol van fysieke activiteit en sedentair gedrag in de ontwikkeling van psychopathologie bij jongeren
Noemi Hagemann, phd candidate, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven

De beschermende effecten van fysieke activiteit op depressie zijn al goed onderbouwd, en ook voor angststoornissen en psychose is er steunen de evidentie. Nochtans zijn er enkele limitaties; zo is het huidig onderzoek gebaseerd op subjectieve inschatting van fysieke activiteit,welke minder nauwkeurig en betrouwbaar zijn dan objectieve instrumenten. Verder is ook de dosis-responsrelatie van beschermende fysieke activiteit niet gekend. Tenslotte is ook het mogelijk interactief effect van sedentair gedrag met fysieke activiteit op mentale gezondheid niet goed begrepen.
In het huidig onderzoek zullen we de dosis-responsrelatie van fysieke activiteit en sedentair gedrag met mentale gezondheid van jongeren in kaart te brengen. Wij maken gebruik van gegevens van de eerste golf van de longitudinale cohortstudie, SIGMA, waarin 1199 jongeren (12-16 jaar) hun dagelijkse fysieke activiteit en sedentair gedrag gedurende 7 dagen hebben bijgehouden meteen Fitbit. Daarnaast vulden de leerlingen zelfrapportage vragenlijsten in over hun mentaal welzijn en over psychische klachten. Deze resultaten kunnen ons begrip van de relatie tussen fysieke activiteit, sedentair gedrag en geestelijke gezondheid bij adolescenten vergroten en kunnen de basis vormen voor toekomstige gezondheidsinterventies.

14u00 - 15u30

S27 Let’s rock and roll’ – vermaatschappelijkte ouderenzorg. Goede praktijkvoorbeelden van samenwerking tussen geestelijke gezondheids- en eerstelijnsactoren
voorzitter Katrijn Abrahams

 

S27.0 Inleiding
Katrijn Abrahams, psychiater, hoofdgeneesheer, Alexianen Zorggroep Tienen

Tot op heden zijn bij de nieuwe initiatieven in de vermaatschappelijkte zorg (bv. 2b-teams vanuit ggz-netwerk) de ouderen, oftewel de ‘rock and roll’-generatie, nog niet betrokken. Alle initiatieven stoppen op 65 jaar. Dit heeft verschillende zorgactoren evenwel niet verhinderd zelf stappen zetten om met versnipperde middelen en projectfinanciering uit verschillende overheden een geheel van zorg op te zetten voor ouderen en hun netwerk.

S27.1 GGOUD: ontwerptekst voor een vernieuwd geestelijk gezondheidsbeleid voor ouderen
Veerle Van Vlierberghe, projectmedewerker ggz-ouderen, OPGG (vroeger Vlabo), Heverlee

Binnen VLABO (Overlegplatform Geestelijke Gezondheid Vlaams-Brabant) wordt sinds 2012 structureel rond het thema ouderen overlegd en sinds 2015 werden middelen voor een projectmedewerker ouderen vrijgemaakt. Deze kreeg als opdracht het in kaart brengen van de noden en vragen van zorgverleners wat betreft de zorg voor kwetsbare ouderen. Vervolgens werd in samenwerking met de stuurgroep ouderen een ontwerptekst geschreven die als sjabloon zou kunnen dienen voor de uitwerking en uitrol van een nieuwe gezondheidszorg voor ouderen met psychische problemen. Er werden standaardcriteria en noodzakelijke voorwaarden voor het organiseren van zorgopdrachten voor ouderen met een psychische kwetsbaarheid opgesteld.
In deze bijdrage wordt toelichting gegeven bij de totstandkoming van deze tekst en wordt tevens toegelicht wat de belangrijkste principes zijn van een goed ggz-beleid voor ouderen.

S27.2 Het OET voor ouderen in Tienen (Ouderen Expertise Team)
Katrijn Abrahams, psychiater campus Mechelsestraat en team ouderen campus Tienen, Alexianen Zorggroep Tienen
Arielle Petitjean, psychologe Levanta, PC Sint Jan Baptist, Zelzate

Het OET overkoepelt verschillende nieuwe initiatieven die door de Alexianen Zorggroep Tienen en het RZ HHart Tienen recent zijn opgestart: het MOTO (Mobiel Outreachend Team Ouderen), Zorg24 (in samenwerking met Solidariteit voor het gezin), ELP (eerstelijnspsycholoog) voor Ouderen, de geheugenkliniek, het geriatrisch dagziekenhuis, etc. Deze initiatieven bundelen, samen met (en zoveel mogelijk aangestuurd door) de eerstelijnsactoren, de krachten om de zorg rond ouderen te optimaliseren. Het aanbod richt zich op de oudere zelf, zijn steunnetwerk en/of de betrokken eerstelijnsactoren. In overleg met de aanmelder wordt er gezocht naar het aanbod dat meest aansluit bij de hulpvraag, van waaruit er intern en gericht de gepaste zorg wordt ingeschakeld. Het OET zet intussen voorzichtig zijn eerste stappen in de praktijk.
Wij lichten u in deze presentatie de opbouw en het opzet van het OET toe en hoe het verbonden is met het project Verbonden in ZOHrg (Chronic Care). Wij delen graag onze eerste ervaringen met u!

S27.3 Geestelijke gezondheid in Leuven: ELP ouderen en Zorgzaam Leuven (Zorgpad GGZ)
Veerle Van Vlierberghe, orthopedagoog, eerstelijnspsycholoog ouderen, CM Leuven, Kessel-Lo
Leen Coppens, afdelingshoofd Levanta, PC Sint Jan Baptist, Zelzate

In 2019 werd vanuit eerstelijnszone (ELZ) Leuven het project ‘eerstelijnspsychologische functie voor ouderen’ uitgeschreven. Dit project stelt zich tot doel psychologische ondersteuning voor ouderen op een laagdrempelige manier aan te bieden en de eerstelijnsactoren van de regio te versterken. Dit realiseren we door het aanbieden van individuele en groepssessies voor ouderen, o.a. vanuit de lokale dienstencentra van de ELZ. Hiernaast leggen we de nadruk op het aanbieden van casusgebonden ondersteuning en vormingen voor hulpverleners op de eerste lijn.
We blikken terug op de eerste ervaringen van dit project. Nog uit deze eerstelijnszone Leuven wordt vanuit het Chronic Care project Zorgzaam Leuven een ggz-zorgprogramma uitgewerkt, met als eerste doel het uitwerken van een zorgpad voor personen met een chronische zorgproblematiek en een psychische zorgnood, die van die aard is dat er nood is aan gedeelde regie. Dit zorgpad wordt uitgewerkt door een brede en geëngageerde projectgroep met ervaringsdeskundigen, actoren op eerste lijn (wijkgezondheidscentra, CAW, OCMW, …), op tweede lijn (psychologen, supportteam ggz, …) en derde lijn (psychiatrische ziekenhuizen, beschut wonen).

S27.4 Paneldiscussie
Alle sprekers & voorzitter

In deze discussie kunnen onder meer volgende vragen aan bod komen: Op welke manier kunnen deze initiatieven ondersteund en verder uitgebouwd worden? Waar is nood aan om vermaatschappelijkte ouderenzorg structureel te onderbouwen?

14u00 - 15u30
S28 De impact van Covid-19 op psychiatrische aandoeningen | PDF

voorzitter Manuel Morrens

S28.1 De rol van het immuunsysteem bij psychotische stoornissen
Manuel Morrens, prof dr., psychiater, onderzoeksgroepvoorzitter, CAPRI, Universiteit Antwerpen; UPC Duffel, Wilrijk

Reeds lang is geweten dat psychotische stoornissen gepaard gaan met afwijkingen van het immuunsysteem. Verschillende studies tonen overigens aan dat deze immuunontregeling het opkomen van psychotische klachten voorafgaat. Meer en meer wordt aanvaard dat schizofrenie geen homogene aandoening is, maar eerder een groep van verschillende aandoeningen vertegenwoordigt. Mogelijks is er dus een subtype van schizofrenie waarbij afwijkingen van het immuunsysteem op de voorgrond staat.
In deze lezing wordt stilgestaan bij de wisselwerking tussen het lichaam en het brein in deze ontregelingen, en kijken we bij schizofreniepatiënten naar de relatie tussen het immuunsysteem enerzijds, en ziekte episodes, ziekteduur en antipsychotische behandeling anderzijds.

S28.2 Medicamenteuze immunomodulatie bij schizofrenie: stand van zaken
Kawtar El Abdellati, phd onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen; UPC Duffel, Wilrijk

Verscheidene studies hebben aangetoond dat bij een deel van de patiënten met psychosespectrumstoornissen verhoogde systemische en centrale immunologische factoren kunnen bijdragen tot de prognose en verergering van psychosesymptomen. Veranderingen in onder meer cytokine-, immuuncel-, kynurenine pathway en oxidatieve stress metabolietconcentraties zijn reeds gevonden, en door de directe of indirecte anti-inflammatoire effecten van antipsychotica kan een deel van deze merkers normaliseren (‘state’ merkers), in tegenstelling tot zogenaamde ‘trait’ merkers die verhoogd blijven doorheen de verschillende ziektestadia. De immuunhypothese heeft er ook toe geleid dat er meer onderzoek is verricht naar de invloed van anti-inflammatoire medicatie op positieve, negatieve en cognitieve symptomen. We staan stil bij de effecten van de best bestudeerde ontstekingsremmers (NSAID’s en minocycline) op het psychotisch ziektebeeld, en blikken vooruit naar potentiële nieuwe targets.

S28.3 De rol van het immuunsysteem bij stemmingsstoornissen
Violette Coppens, prof dr., psychiater, onderzoeksgroepvoorzitter, CAPRI, Universiteit Antwerpen; UPC Duffel, Wilrijk

Patiënten met stemmingsstoornissen zoals depressie en bipolaire stoornis vertonen vaak tekenen van verhoogde ontsteking in het lichaam. Deze ontstekingsprocessen kunnen zowel aan de oorzaak liggen van het onstaan van de depressieve of manische klachten, als acute episodes van deze symptomen in stand houden of verergeren.
In deze bijdrage gaan we dieper in op de wisselwerking tussen stemmingsstoornissen en ontstekingsprocesen en bekijken we de relatie met auto-immuunaandoeningen en de rol van het stress-systeem in deze wisselwerkingen.

14u00 - 15u30
S29 (super)diversiteit in de drughulpverlening anno 2021

voorzitter Charlotte De Kock

S29.0 Herstel in een diverse samenleving | PDF
Wouter Vanderplasschen, prof. dr., hoofddocent orthopedagogiek, UGent

Vanuit een herstelgericht perspectief worden uitdagingen voor de drughulpverlening belicht.

S29.1 Niet-nationale cliënten in de Belgische drughulpverlening | PDF
Eva Blomme, onderzoeker, UGent

De toenemende maatschappelijke diversiteit in België wordt niet steeds weerspiegeld in de diverse samenlevingsdomeinen zoals in het onderwijs, de psychiatrische gezondheidszorg, de ouderenzorg en de arbeidsmarkt. Ook in de drughulpverlening wijzen verkennende studies op ongelijkheden in diverse fasen van hulpverleningstraject, op vlak van instroom, doorstroom en uitstroom. Vertrekkend van de hypothese niet-nationale cliënten evenveel met drugproblematieken worden geconfronteerd als nationale cliënten, onderzoekt deze bijdrage de vertegenwoordiging van niet-nationale cliënten in de Belgische drughulpverlening. Vervolgens vergelijken we profielkenmerken van niet-nationale cliënten met nationale cliënten in de Belgische hulpverlening aan de hand van een secundaire analyse van de Treatment Demand Indicator (TDI) data tussen 2012 en 2014. Aangezien we enkel gebruik maken van geaggregeerde datasets, blijft de analyse grotendeels beschrijvend van aard. Voor enkele variabelen werden bijkomend odds ratio's (OR) en 95% betrouwbaarheidsintervallen berekend om bivariate associaties tussen verwijzers, profielkarakteristieken en nationaliteit van de cliënten te onderzoeken. P-waarden <0,05 werden als statistisch relevant beschouwd.
De resultaten stellen discrepanties vast in de vertegenwoordiging, in het cliëntprofiel en in de doorverwijzing van niet-nationale cliënten in de Belgische drughulpverlening. Verschillen naargelang het hulpverleningsspectrum, regio en profielkenmerken worden besproken. Hoewel de TDI-data een aantal beperkingen hebben, suggereren deze resultaten enkele belangrijke lacunes die verder onderzocht dienen te worden.

S29.2 Herstelervaringen bij MEM in de internationale literatuur | PDF
Aline Pouille, onderzoeker, UGent

Om herstelgerichte drughulpverlening te organiseren die beantwoordt aan de unieke en diverse noden van migranten en etnische minderheden (MEM), is het essentieel om zicht te krijgen op de elementen die zij zelf als helpend en hinderend voor herstel ervaren. Deze presentatie bespreekt de resultaten van een systematisch literatuuronderzoek naar studies die herstelervaringen van MEM centraal stellen. Diverse elementen op persoonlijk, sociaal & gemeenschapsniveau die de MEM als helpend of hinderend ervaren in hun herstelproces komen aan bod. Vervolgens worden MEM-specifieke elementen met betrekking tot herstel uitgelicht (in vergelijking met niet-MEM-specifieke herstelliteratuur), waarna op basis van de resultaten van dit onderzoek aanbevelingen worden geformuleerd voor onderzoek, beleid en praktijk.

S29.3 Wegwijzer voor een toegankelijke en interculturele drughulpverlening | PDF
Lyssa Toyinbo, stafmedewerker, VAD, Brussel

 

Enerzijds vinden migranten en etnische minderheden vaak moeilijk toegang tot de geestelijke gezondheidszorg. Anderzijds kan werken met deze bevolkingsgroepen soms een uitdaging zijn. Het boek: 'Wegwijzer voor een toegankelijke en interculturele drughulpverlening' wil inspiratie bieden om de toegankelijkheid voor, het bereik en de retentie van migranten en etnische minderheden in de (drug)hulpverlening te verhogen. Deze wegwijzer is één van de resultaten van het MATREMI-project, onder coördinatie van Universiteit Gent en in nauwe samenwerking met Université Libre de Bruxelles en de koepels die de gespecialiseerde drughulpverlening vertegenwoordigen in België: VAD, FEDITO BXL en FEDITO Wallonne. De wegwijzer biedt een handig overzicht van inspirerende praktijken, uit het Frans- en Nederlandstalige landsdeel, die een (drug)hulpverlener en/of organisatie kan ondersteunen om laagdrempelig te werken naar migranten en etnische minderheden. Na een toelichting over hoe deze wegwijzer tot stand kwam, zal ingezoomd worden op de verschillende hoofdstukken van de wegwijzer, hoe de wegwijzer gebruikt kan worden en zullen enkele praktijken ter illustratie aangehaald worden. Heel wat praktijken zijn ook bruikbaar binnen de algemene geestelijke gezondheidszorg.

S29.4 Toekomstperspectieven voor MEM in de drughulpverlening: theorie en praktijk | PDF
Charlotte De Kock, onderzoeker, UGent

Anno 2021 is onze kennis over probleemgebruik bij en drughulpverlening voor migranten en etnische minderheden (MEM) groter dan pakweg tien jaar geleden. In deze afsluitende bijdrage lichten we de voornaamste vaststellingen uit wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen toe. We verkennen wat deze vaststellingen voor de praktijk van de drughulpverlening kunnen betekenen en aan welke kennishiaten we vanuit het onderzoek aan UGent verder werken. Ten eerste belichten we de voornaamste resultaten uit onderzoek gesubsidieerd door het Federaal Wetenschapsbeleid (ZEMIV, PADUMI, MATREMI). Deze vaststellingen hebben betrekking op de aard van zorgtrajecten, ervaringen wat betreft probleemgebruik en hulpzoekgedrag bij diverse MEM en de manier waarop deze doelgroepen in de Vlaamse Drughulpverlening wordt gemonitord. Ten tweede maken we een kritische beschouwing en toekomstpaden wat betreft de invulling van diverssensitieve drughulpverlening en de monitoring van deze doelgroepen in Vlaanderen. Tot slot gaan we in op hoe huidig UGent onderzoek de praktijk hierin kan ondersteunen door haar onderzoek naar persoonlijke herstelervaringen (Aline Pouille, REC-MIB) en de analyse van organisationele en politieke beleidsvoering wat betreft dit thema (Charlotte De Kock, ACCESS).

14u00 - 15u30
S30 High security forensische zorg in de forensisch psychiatrische centra | PDF 1-4

voorzitter Ruben van den Ameele, directeur patiëntenzorg, FPC, Antwerpen

Door een tekort aan forensisch psychiatrische behandelplaatsen, verbleven geïnterneerden met een hoge beveiligingsnood vaak langdurig in detentie. Sinds 2014 worden Vlaamse geïnterneerden behandeld in forensisch psychiatrische centra (FPC). In dit symposium worden een aantal aspecten van deze behandeling besproken.

S30.1 High security geinterneerden: wie zijn zij? Vanwaar komen zij? Waar gaan zij naartoe?
Inge Jeandarme, psychiater, hoofdgeneesheer, FPC, Antwerpen

In deze eerste studie werd nagegaan wat het profiel is van high security-geïnterneerden en in hoeverre dit afwijkt van dat van andere geïnterneerden. Op vijf jaar tijd werden 585 geïnterneerden in één van beide FPC's behandeld. Demografische, klinische en risicokenmerken werden in deze studie onderzocht, naast gegevens met betrekking tot opnameduur en plaats van uitstroom. De geïnterneerden vertonen een ernstige psychiatrische problematiek met een hoog aandeel persoonlijkheidsstoornissen en een hoog risicoprofiel. Bijna een vierde van de geïnterneerden stroomde ondertussen uit naar een setting met een lager beveiligingsniveau. Het aantal terugverwijzingen naar de gevangenis was laag.

S30.2 Zorgpaden in de forensische psychiatrie
Bert Buysschaert, hoofd zorglijn, FPC, Gent

Het primaire doel binnen de forensische psychiatrie is om de dynamische risicofactoren van patiënten te behandelen en de kans op herval te verkleinen. In FPC Antwerpen en FPC Gent is de behandeling van stoornis en delictgedrag gebaseerd op patiëntprofielen. Per patiëntprofiel is er een zorgpad dat bestaat uit meerdere modules. Het is echter een uitdaging om de therapieën van de patiënten zo te organiseren dat het traject met vooropgestelde modules, dat individueel bepaald wordt, voldoet aan het Risk- Need- and Responsivity model van Andrews & Bonta (RNR) en het Good lives-principe van T. Ward (GLM). Beide scheppen binnen de forensische zorg immers een kader voor o.a. het bepalen van de behandelintensiteit, de vorm en de moeilijkheidsgraad van de behandeling.
Om aan deze uitdaging het hoofd te bieden ontwikkelden wij het doorstroommodel. Dit model helpt om de juiste dynamische risicofactoren te behandelen, een vinger aan de pols te houden bij het behandeltraject van de individuele patiënt en informatie te verschaffen over de resultaten per zorgpad. Tijdens deze bijdrage leggen wij het model uit en gaan we in op voor- en nadelen.

S30.3 Transculturele aspecten in de forensische hulpverlening
Gokhan Goktas, psychiater, hoofdgeneesheer, FPC, Gent

De lezing gaat in op welke aspecten een rol spelen om culturele verschillen te overbruggen bij allochtone patiënten in de forensische psychiatrie. Naast een epidemiologische benadering van de populatie in de forensische zorg, wordt gefocust op de verschillende aandachtspunten bij de culturele omkadering.
De zorg voor een culturele formulering bij een gedragskundig onderzoek vereist ook een onderzoek naar taal, factoren in de ontwikkeling en de betrokkenheid bij de cultuur van oorsprong en de gastcultuur, culturele verklaringsmodellen voor het ziektebeeld, het psychosociaal milieu, verschillen in de hulpverlener-patiënt relatie. Aard van acculturatie, met factoren als segregatie, marginalisatie, integratie en assimilatie.
Bij testdiagnostiek kan beheersing van de woordenschat leiden tot systematische bias. Intelligentie(testen) in relatie tot etniciteit is een debat op zich. Bij persoonlijkheidsonderzoek is een semigestructureerd interview noodzakelijk, mogelijks ondersteund door een tolk. In welke mate dienen bevindingen geïnterpreteerd te worden als een afwijking, bepaald door cultuur of iemands individuele psychopathologie?
Hoe diagnostiek gevoerd en ingevuld wordt bepaalt mee de toerekeningsvatbaarheid. Zich beperken tot de culturele variabelen, die een invloed kunnen hebben op de diagnose, behandelmogelijkheden en de recidivekans is van belang. Ook beleving van het delict, door patiënt en zijn omgeving.
Uiteindelijk, zowel bij psychotherapeutische en psychosociale benadering als medicamenteuze ondersteuning, is de beleving van de gestelde diagnose, kijk op de hulpverlener (hulpverlening), beleving van religie, mogelijke druk van de omgeving...moeten in overweging worden genomen.

14u00 - 15u30
S31 Seksualiteit in koppelrelaties

voorzitter Paul Enzlin

 

S31.0 Inleiding
Paul Enzlin, hoogleraar, Instituut voor Familiale en Seksuologische Wetenschappen (IFSW), KU Leuven, UZ Leuven & Centrum voor Klinische Seksuologie en Sekstherapie (CeKSS), UPC KU Leuven

Ondanks dat veel seks in de context van relaties plaatsvindt, wordt zowel in onderzoek als in de klinische praktijk seksualiteit vaak vanuit een individuele invalshoek benaderd. Dit symposium poogt seksualiteit als dyadisch proces toe te lichten en belangrijke aspecten in kaart te brengen die een rol spelen in seksualiteit bij koppels. We bespreken de theoretische en empirische bevindingen die kennis over relaties en seksualiteit integreren, en vullen die aan met inzichten uit eigen onderzoek. Het idee van seksualiteit als individueel proces maakt plaats voor een meer dynamische en dyadische benadering waarbij seksualiteit beschouwd wordt als een intra- en interpersoonlijk proces tussen twee partners. Op basis van deze dyadische blik hopen we de visie van clinici te verscherpen als het gaat om seksualiteit en koppelrelaties, waarbij handvatten aangeboden zullen worden voor de dagelijkse praktijk.

S31.1 Onder de lakens van verbinding: hechting en seks in koppelrelaties
Rick Roels, arts, phd-student, UPC KU Leuven, IFSW, Leuven

Er is steeds meer evidentie dat hechtingsstijlen relationele processen in partnerrelaties kunnen beïnvloeden (Birnbaum & Reis, 2018). Partners zijn voor volwassenen vaak de voornaamste hechtingsfiguren waardoor de partnerrelatie een belangrijk speelveld wordt waarbinnen (al of niet) aan persoonlijke hechtingsbehoeften tegemoet gekomen wordt. In het tegemoetkomen van hechtingsbehoeften – bijv. nood aan een gevoel van veiligheid en betrokkenheid, reductie van angst of negatieve gedachten – kan seksualiteit een rol spelen. In deze bijdrage stellen we eigen onderzoek voor waarbij we de invloed van hechting op seksualiteit in koppelrelaties hebben bestudeerd. Door te kijken “onder de lakens” van verbinding, hebben we geleerd dat in een partnerrelatie de hechtingskarakteristieken van beide partners de link tussen seksualiteit en relatietevredenheid beïnvloeden (Roels & Janssen, 2020). De bevindingen van het eigen onderzoek zullen binnen het bredere kader van relatie- en seksonderzoek worden gekaderd; gevolgd door een klinische vertaling. Immers, rekening houden met hechtingsstijlen stelt therapeuten in staat om bij te dragen aan een bewustwording van de emotionele, relationele, en seksuele behoeften van hun cliënt(en). Op die manier kan een mogelijke negatieve impact van hechtingsonzekerheden worden vermeden wat dan weer gunstige effecten op individueel en relationeel welzijn kan hebben.

S31.2 Seksueel verlangen in koppelrelaties: de rol van partnerinteracties
Sofia Prekatsounaki, phd student, assistent onderzoek en onderwijs, IFSW, Leuven

Tot voor kort richtten de meeste (theoretische) conceptualisaties van seksueel verlangen zich vooral op individuele determinanten van seksueel verlangen. Niettemin wordt in de klinische praktijk steeds meer onderkend dat seksueel verlangen niet (alleen) een individuele aangelegenheid is, maar nauw verbonden is met de dyadische interactie(s) tussen twee partners. Daarnaast levert wetenschappelijk onderzoek steeds meer evidentie voor het belang van dyadische processen voor seksueel verlangen (Mark & Lasslo, 2018). Er is tot op heden nog geen theoretisch model dat deze klinische en empirische inzichten goed integreert tot één geheel.
In deze bijdrage wordt het Partner-Interaction Model (PIM) voor seksueel verlangen (Prekatsounaki, Gijs & Enzlin, in voorbereiding) voorgesteld. PIM werd ontwikkeld op basis van een uitgebreide review van theoretische voorstellen, klinische ervaring en empirische evidentie. PIM vertrekt vanuit een systemisch kader en benadert seksueel verlangen tussen partners als het product van een dynamisch evenwicht van partnerinteracties op het seksuele, affectieve, en cognitieve domein. We bespreken de empirische toetsing van PIM en vullen aan met de eerste resultaten van een onderzoek naar het gebruik van een m-health toepassing voor het meten van dagelijkse koppelinteracties en seksueel verlangen. Tot slot denken we na over de klinische bruikbaarheid van dergelijke toepassingen in het kader van relatie- en sekstherapie.

S31.3 Over dralen, falen en herstel. Seksualiteitsbeleving in de context van fertiliteitsbehandeling
Paul Enzlin, hoogleraar, IFSW (UZ Leuven) & CeKSS (UPC KU Leuven)

Wanneer partners hun kinderwens actief willen gaan realiseren, zal dat meestal leiden tot een toename van de coïtusfrequentie en mogelijks ook een wijziging in de beleving van seksualiteit. Wanneer het realiseren van die kinderwens niet lukt, kan een te grote nadruk op (getimede) seks als middel tot conceptie, niet alleen leiden tot gevoelens van prestatiedruk, schuld en faalangst, maar eveneens seksuele disfuncties veroorzaken. Deze seksuele disfuncties worden gerapporteerd door zowel mannen (o.a. verminderd seksueel verlangen, erectiele disfunctie en voortijdige ejaculatie) als vrouwen (o.a. verminderd seksueel verlangen, vaginale droogte, dyspareunie). Het uitblijven van een spontane zwangerschap kan bovendien een negatieve invloed hebben op het zelfbeeld en het gevoel geen ‘echte’ (potente) man of (fertiele) vrouw te zijn. Dat leidt ertoe dat de diagnose en behandeling van verminderde vruchtbaarheid ook een impact kan hebben op de partnerrelatie.
In deze bijdrage worden de (preliminaire) resultaten voorgesteld van een kwalitatief onderzoek naar de beleving van eventuele veranderingen op het vlak van seksueel functioneren en seksualiteitsbeleving van koppels die een kind kregen via een IFV-behandeling. De klinische implicaties van deze bevindingen zullen worden besproken.

16u30 - 18u00
S32 De preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële GGZ. Dit symposium is een samenwerking tussen LUCAS, Instituut voor Sociaal Rechten Vivo vzw-ICOBA
voorzitter Kathleen De Cuyper

S32.0 De preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële ggz | PDF
Kathleen De Cuyper, postdoctoraal onderzoeker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Chantal Van Audenhove

 

Er bestaat grote maatschappelijke bekommernis over het gebruik van afzondering en fixatie in de gezondheids- en welzijnssectoren. Deze interventies houden zowel risico’s in voor zorggebruikers als voor hulpverleners, en de samenwerkingsrelatie wordt erdoor bedreigd. Daarenboven is fysieke dwang in de gezondheidszorg in principe verboden,met uitzondering van duidelijk omschreven – en gereguleerde –situaties.
De audits van de Vlaams Zorginspectie over de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in verschillende sectoren van gezondheids- en welzijnszorg (2016-2018) hebben aangetoond dat er grote verschillen bestaan tussen voorzieningen m.b.t. de preventie en toepassing van afzondering en fixatie.
Als gevolg hiervan heeft de betrokken Vlaamse minister aan het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid de opdracht gegeven om intersectorale aanbevelingen te ontwikkelen voor de preventie en toepassing van afzondering en fixatie. Daarenboven ontwikkelt Vivo vzw–ICOBA, ook in opdracht van de betrokken minister,een intersectorale gegevensset om deze maatregelen te registreren. De doelstelling van deze aanbevelingen en gegevensset is de verbetering vande kwaliteit van zorg met betrekking tot de preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de Vlaamse ggz en brede jeugdhulp.
Tijdens dit symposium geven we een overzicht van de resultaten van dit studiewerk tot hiertoe.

S32.1 Multidisciplinaire richtlijn voor de preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële ggz
Tine Peeters, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Kathleen De Cuyper, Tim Opgenhaffen, Inez Buyck, Johan Put & Chantal Van Audenhove

 

We stellen de multidisciplinaire richtlijn (MDR) voor de preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor. De MDR is gebaseerd op (1) evidentie uit klinisch onderzoek en bestaande (inter-)nationale richtlijnen, (2) juridische analyse van Europese mensenrechtenverdragen, en (3) expertise van stakeholders uit de Vlaamse ggz. Dit waren ggz-voorzieningen met best practices in dit verband, patiëntenorganisaties, beroepsverenigingen, koepelorganisaties, externe ggz-onderzoekers en betrokken Vlaamse administraties.
Een gecombineerde aanpak van verschillende preventieve strategieën om het gebruik van afzondering en fixatie te verminderen staat voorop in de MDR. Van groot belang is de betrokkenheid van alle stakeholders bij het preventiebeleid: de directie en beleidsmedewerkers, de hulpverleners en de zorggebruikers. In situaties waarin afzondering of fixatie niet kan vermeden worden,adviseert de MDR het gebruik van procedures die zo humaan mogelijk zijn. Op die manier beschermen de hulpverleners de rechten van de zorggebruikers in een dergelijke situatie zo goed mogelijk.

S32.2 De mensenrechten over afzondering en fixatie
Tim Opgenhaffen, postdoctoraal onderzoeker, Instituut voor Sociaal Recht, KU Leuven

Mensenrechtenorganen zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Comité ter Preventie van Foltering besteden ruim de aandacht aan de toepassing van afzondering en fixatie in de geestelijke gezondheidszorg. Omdat afzondering en fixatie raken aan de autonomie en vrijheid en omdat ze mensonwaardig kunnen zijn, moeten zowel voorzieningen als de wetgever ze zorgvuldig regelen. Bovendien moeten er voldoende waarborgen bestaan om te verzekeren dat ze slechts plaatsvinden voor zover dat juridisch toelaatbaar, subsidiair en proportioneel is. Vertrekkend vanuit een bronnenanalyse bespreekt deze bijdrage eerst waaraan afzondering en fixatie vanuit mensenrechtelijk oogpunt moeten voldoen. Daarna wijst ze op knelpunten die zich in Vlaanderen voordoen. Eindigen doet deze bijdrage met aanbevelingen aan de wetgever en de praktijk.

S32.3 De ontwikkeling van de intersectorale aanbevelingen voor de praktische uitvoering van afzondering en fixatie | PDF
Els Vanlinthout, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KU Leuven - Zorgonderzoek & Consultancy, Leuven
Kathleen De Cuyper, Jasper Vanhoof, Tine Peeters, Tim Opgenhaffen, Sara Nijs, Theo van Achterberg & Chantal Van Audenhove


Er bestaat internationale consensus dat afzondering en fixatie in de zorg zo kort en zo min mogelijk mogen toegepast worden. In principe dient het vermeden te worden. Indien preventie niet volstaat, is het belangrijk dat hulpverleners afzondering en fixatie zo humaan mogelijk en conform de mensenrechten uitvoeren. In 2018 werd een multidisciplinaire richtlijn ontwikkeld voor de preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële ggz. Tijdens deze studie bleek dat er weinig wetenschappelijk onderzoek bestaat naar de praktische uitvoering van afzondering en fixatie. Ook op basis van mensenrechterlijke bronnen kunnen weinig concrete aanbevelingen gegeven worden m.b.t. concrete handelingen, gebruik van materialen, maximale tijdsduur, leeftijdsgrenzen, enzovoort.
Om aanbevelingen te kunnen ontwikkelen over de praktische uitvoering van afzondering en fixatie werd daarom een Delphi-studie uitgevoerd bij 61 Vlaamse expert-professionals en 18 ervaringsdeskundigen. De Delphi-methode onderzoekt en bevordert consensus tussen individuele expert-opinies. De Delphi-studie resulteerde in een set van 77 intersectorale aanbevelingen, waarover voldoende consensus bereikt werd onder de expert-professionals en ervaringsdeskundigen. De aanbevelingen hebben betrekking op afzondering, fysieke interventie en mechanische fixatie in de ggz en brede jeugdhulp. Per maatregel wordt ingegaan op (1) de samenwerking tussen hulpverleners, (2) handelingen, materialen en technieken, (3) de duurtijd en (4) observaties, evaluaties en registraties. Tot slot zijn er aanbevelingen over leeftijdsgrenzen die gelden bij de uitvoering van bepaalde maatregelen.

S32.4 De gegevensset om afzondering en fixatie te registreren in de jeugdhulp, ggz en gehandicaptenzorg
Peter Cosemans, wetenschappelijk medewerker, VIVO vzw - ICOBA, Brussel
Eric Noorthoorn

 

De thematische inspecties van de Vlaams Zorginspecties (2016-2018) over de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen (VBM) hebben aangetoond dat in veel voorzieningen het toepassen van VBM een veel voorkomende praktijk is. Bovendien zijn er, door het ontbreken van een éénduidig begrippenkader en onvolledige registraties, geen valide en betrouwbare gegevens over de toepassing van VBM beschikbaar.
Naar aanleiding van deze vaststellingen heeft de Vlaamse overheid aan VIVO vzw - ICOBA de opdracht gegeven om in overleg met alle betrokken sectoren een wetenschappelijk onderbouwde, valide en betrouwbare intersectorale en minimale gegevensset te ontwikkelen. Deze gegevensset moet de organisaties toelaten om nauwkeurig de eigen praktijk m.b.t. het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen op te volgen en leer- en verbetertrajecten uit te zetten. Gelijktijdig kunnen deze gegevens beschikbaar gemaakt worden in het kader van maatschappelijke verantwoording.
De haalbaarheid en de inhoudelijke validiteit van een eerste versie van deze gegevensset werd in 2019 onderzocht. Een eerste proefmeting vond plaats op een beperkt aantal afdelingen en leefgroepen uit de betrokken sectoren waarin het eerste ontwerp van register gedurende één maand werd uitgetest. In het eerste focusgesprek is dieper ingegaan op de toepassing, de registratie en feedback van vrijheidsbeperkende maatregelen in de voorzieningen. In het tweedefocusgesprek werd feedback ten aanzien van het register en de wijze van registreren verzameld.
De resultaten, de aanbevelingen en de actuele stand van zaken in de ontwikkeling van deze gegevensset worden besproken.

16u30 - 18u00
S33 Perinatale ggz

Gilbert Lemmens, psychiater, diensthoofd psychiatrie, UZ Gent

 

S33.0 Psychofarmaca tijdens de zwangerschap en borstvoeding
Gilbert Lemmens, psychiater, diensthoofd psychiatrie, UZ Gent

 

Mentale stoornissen komen frequent voor tijdens de perinatale periode (zwangerschap tot één jaar na de bevalling). Ze hebben een negatieve invloed op de zwangerschap, de ontwikkeling van de foetus, baby en het jonge kind en de ouderkind interacties. Ook verhoogt het stopzetten van psychofarmaca tijdens de zwangerschap aanzienlijk het risico op een recidief. Hoewel psychofarmaca effectief zijn in de behandeling van de meeste mentale stoornissen, ontbreekt gerandomiseerd onderzoek naar hun veiligheid tijdens de zwangerschap en de borstvoeding. Aan de hand van verschillende casussen van de deelnemers wordt gereflecteerd welke strategie het best gehanteerd wordt voor het behoud van de mentale stabiliteit van de vrouwen versus het relatieve risico van diverse psychofarmaca tijdens de zwangerschap en na de bevalling.

S33.1 Zorg aan huis in de perinatale periode
Kristiaan Plasmans, psychiater, Moeder en Baby - PC Bethanië Zoersel
Celine Verhaert & Veronique Wyckaert, Behandel- en expertisecentrum Moeder & Baby, PC Bethanië Zoersel

Klaas Bauters & Annebel Depoorter, Behandel- en expertisecentrum Moeder & Baby, Karus, Gent

De perinatale mentale gezondheidszorg heeft de laatste jaren een belangrijke gedaanteverandering ondergaan. Onder impuls van projecten rond vroegdetectie en klinische zorgpaden is het gewicht van de zorg opnieuw verschoven naar de eerste lijn. Vroeg ingrijpen in perinatale problematieken betekent de zorg zo veel als mogelijk laten plaatsvinden in de eigen omgeving van mama in relatie tot haar baby, haar partner en zorgfiguren. Aan de hand van casuïstiek vanuit de beide moeder-baby-units (Gent & Zoersel) lichten we toe hoe deze zorg vorm krijgt en zoemen we verder in op de concrete uitwerking van het zorgpad.

 

16u30 - 18u00
S34 De rol van Zorgzame Buurten in de GGZ: de belofte van nabijheid?!

voorzitter Jeroen Decoster, psychiater, Zorggroep Sint-Kamillus, Bierbeek

In de recente evoluties binnen de ggz gaat er veel aandacht naar de vermaatschappelijkingstendens. Meer en meer wordt gekeken naar manieren om zorg op een geïntegreerde manier aan te bieden. De aandacht voor bereikbaarheid en nabijheid van het zorgaanbod speelt hierbij een essentiële rol. Maar wat wordt hier nu precies mee bedoeld? Hoe zijn we in staat om deze nabijheid ook in de reële zorg te integreren? Wat verstaan patiënten hieronder en wat betekent het voor zorgverleners? Wie heeft welke rol hierin te vervullen?
In dit symposium trachten we zowel vanuit praktijkervaring als vanuit wetenschappelijk oogpunt een blik te werpen op de rol van elk van de betrokkenen in de verdere uitrol van dergelijke zorg. Een boeiend panel van sprekers zal dit onderwerp vanuit verschillende oogpunten bespreken.

S34.0 Belang van nabijheid voor de patiënt | PDF
Betty Goeyens, patiëntenvertegenwoordiger, patiëntenvertegenwoordiging Wijkgezondheidscentrum De Ridderbuurt, Leuven

Vanuit patiëntenperspectief wordt het belang van nabijheid geschetst binnen de recente evoluties in de ggz.

S34.1 De zorgzame buurt: op het snijpunt van zorg en welzijn
Geert Pint, huisarts, lesgever, Academisch Centrum voor HuisartsGeneeskunde - KULeuven

De uitbouw van een zorgzame buurt. Belang voor de zorgverlener? Hoe gezondheidszorg en welzijnszorg toegankelijk maken en inbedden binnen een buurt? Hoe formele en informele zorg verbinden? Wie heeft welke rol te vervullen binnen een zorgzame buurt? Op zoek naar een gemeenschappelijke taal. Reflecties vanuit de ervaring in Zorgzaam Wilsele Dorp.

S34.2 Hoe vormgeven aan wijkgerichte ggz?
Sylvia Hubar, sociaal werk, praktijkondersteuner GGZ, Wijkgezondheidscentrum De Ridderbuurt, Leuven

 

Hoe kunnen buurtbewoners samen hun veerkracht en ggz verhogen? Hoe krijgt de samenwerking professionals, vrijwilligers, burgers vorm? Hoe behoud je authenticiteit in de zorg? Hoe professioneel nabij zijn en present zijn?

S34.3 De belofte van nabijheid in de rol van psychiater?
Dirk Monsieur, psychiater, eerstelijnspsychiater, Bierbeek

De belofte van nabijheid in de rol van de psychiater? Wat is het belang van de context om het beschikbaar krijgen/nemen van ruimte om nabij te zijn? Hoe vertaalt dit zich binnen een psychiatrisch ziekenhuis, een huisartsenpraktijk , een gespreksplek?

S34.4 De zorgzame buurt als burgerschapspraktijk
Elke Plovie, pedagoog, docent, onderzoeker, UCLL, Heverlee

De zorgzame buurt als burgerschapspraktijk. Hoe het leefwereldperspectief inbrengen zodat het betekenisvol kan zijn bij de uitbouw van een zorgzame buurt. Elke reflecteert vanuit onderzoek.

16u30 - 18u00
S35 TMS bij stemmingsstoornissen: nieuwe behandelprotocollen en outcomeparameters

voorzitter Chris Bervoets, psychiater, professor, UPC KULeuven

 

GEANNULEERD

 

16u30 - 18u00

S36 Een ‘supermodel’ in de spotlight: Onderzoek naar herstel en verslaving vanuit een orthopedagogisch perspectief | PDF 0-4
voorzitter Wouter Vanderplasschen, professor, UGent

S36.0 Inleiding
Clara De Ruysscher, postdoctoraal onderzoeker, UGent

Het laatste decennium is het hersteldenken, dat vaak als ‘supermodel’ naar voren wordt geschoven om het huidige beleid en de praktijk vorm te geven, uitgegroeid tot een alomtegenwoordig kader in de geestelijke gezondheidszorg. Ook in wetenschappelijk onderzoek wordt het herstelkader vaak in de spotlight geplaatst vanuit diverse onderzoeksdisciplines (o.a. pedagogiek, psychiatrie, verpleegkunde, criminologie, sociaal werk, sociologie, antropologie), elk met hun eigenheid en uniek perspectief.
Een belangrijke onderzoekslijn binnen de vakgroep Orthopedagogiek van Universiteit Gent, ‘Herstel en verslaving’, focust zich specifiek op de hersteltrajecten van personen die kampen met een verslaving- en/of een psychische problematiek. Binnen deze onderzoekslijn gaat veel aandacht uit naar de ondersteuning van personen die zich in kwetsbare situaties bevinden en in de hulpverlening uit de boot dreigen te vallen, waaronder geïnterneerden, personen met een complexe psychiatrische problematiek, vrouwen en moeders met jonge kinderen en personen met een migratieachtergrond. Het hanteren van een actiegerichte onderzoeksaanpak, een focus op de levenservaringen van mensen, een sterktegericht en contextueel perspectief en een focus op kwaliteit van bestaan zijn hierbij belangrijke orthopedagogische rode draden. Op die manier trachten we het ‘supermodel’ herstel te belichten vanuit diverse invalshoeken om zo een genuanceerd, kritisch en gepixeleerd beeld te krijgen van herstel als persoonlijke ervaring, ondersteunende praktijk en richtinggevend kader.
Tijdens dit symposium zoomen we in op diverse lopende studies binnen deze onderzoeksgroep en willen we een aantal resultaten en inspirerende reflecties met jullie delen, waar we nadien ook graag met jullie in debat over gaan.

S36.1 Recovery Pathways: een sociale benadering van herstelprocessen
Lore Bellaert, doctoraatsstudente, UGent

Met het Recovery Pathways (Rec-Path)-project brengen we verschillende wegen naar herstel van verslaving aan illegale middelen in kaart. Het doel van deze studie is om het begrip van veranderprocessen die herstel mogelijk maken te verbreden. Het onderzoek hanteert zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden, waarbij diepte-interviews met aandacht voor de doorleefde ervaringen van personen die zichzelf als in herstel identificeren de kwantitatieve bevindingen aanvullen en verdiepen. De interviews werden gebaseerd op de Life-line Interview Method, waarbij deelnemers terugblikten op de periode sinds het moment waarop hun druggebruik de controle over hun leven overnam tot waar ze nu vandaag staan. Het doel was om een zicht te krijgen op belangrijke momenten van verandering en de dynamieken die zich daarin afspeelden, alsook op waarom die momenten betekenisvol waren en hoe die zich verhouden tot het proces van verandering. Hierbij hadden we aandacht voor de interactie tussen persoonlijke ervaringen en structurele barrières en steunende elementen. Deze retrospectieve verhalen weerspiegelen de complexiteit van het herstelconcept.
Tijdens dit symposium worden de resultaten van het kwalitatieve onderzoeksluik van het Rec-Path project besproken. Hierbij staat een sociale benadering van herstel centraal, waarbij de nadruk ligt op de complexe wisselwerking tussen persoonlijke, sociale en maatschappelijke dynamieken en contexten in relatie tot herstelprocessen.

S36.2 Familieherstel: wat betekent dit voor familieleden van geïnterneerde personen?
Sara Rowaert, postdoctoraal onderzoeker, UGent

Internering is de dag van vandaag steeds meer een actueel thema, waarbij ook de aandacht vanuit de zorg voor de familieleden van patiënten meer in het daglicht komt te staan. Niet alleen de geïnterneerde persoon gaat door een herstelproces, maar ook zijn/haar familie. Toch kan opgemerkt worden dat de focus in onderzoek nog meer ligt op herstel van de patiënt, waardoor herstel van familie vaak nog onbekend is. Familieherstel is eerder al in beperkte mate onderzocht bij familieleden van personen met een psychiatrische problematiek. Of dit ook hetzelfde betekent voor familieleden binnen de forensische psychiatrie is momenteel nog onduidelijk. Een kwalitatief onderzoek bij familieleden van geïnterneerde personen heeft daarom onderzocht hoe familieleden van een geïnterneerde persoon de verbondenheid met hun naaste en anderen (familie, vrienden, professionelen) ervaren, hoe ze hun identiteit vormgeven naar aanleiding van de internering, hoe ze omgaan met zelfzorg en hoe ze zelf het concept familieherstel zouden invullen/definiëren. De getranscribeerde interviews werden thematisch geanalyseerd door middel van het kwalitatief onderzoeksprogramma Nvivo10.
Tijdens dit symposium worden de resultaten van het onderzoek besproken, waarbij ook een verdieping van het concept familieherstel geformuleerd zal worden.

S36.3 Herstel en diversiteit: herstel van verslaving bij personen met een migratieachtergrond
Aline Pouille, doctoraatsstudente, UGent

Hoewel diverse migratie- en minderheidsgerelateerde aspecten zoals trauma, structurele en gepercipieerde discriminatie, personen met een migratieachtergrond extra kwetsbaar maken voor problematisch middelengebruik en drempels tot herstel kunnen verhogen, worden deze personen amper betrokken binnen onderzoek naar herstel van verslaving.
Dit onderzoek heeft daarom als doel om zicht te krijgen op een diversiteit aan herstelervaringen van personen met een migratieachtergrond in Vlaanderen en welke elementen zij zelf als faciliterend of hinderend benoemen zowel binnen als buiten de hulpverlening. Dit met oog op het bieden van handvatten aan praktijk en beleid voor een geïntegreerde, herstelgerichte ondersteuning die tegemoet komt aan de specifieke noden van deze diverse populatie.
In deze bijdrage brengen we de resultaten van een uitgebreide literatuurstudie omtrent herstelervaringen van personen met een migratieachtergrond. Deze worden getoetst aan de resultaten van een kwalitatieve studie die personen met een migratieachtergrond en een middelenproblematiek in Vlaanderen zelf aan het woord laat over hun herstelproces en wat hen daarin geholpen of gehinderd heeft.

S36.4 From monologue to dialogue in mental health care research: reflections on a collaborative research process. Van monoloog naar dialoog in onderzoek over herstel: reflecties op een co-creatief onderzoekstraject
Pete Tomlinson
, ervaringsdeskundige, UGent, VillaVoortman, Gent

Binnen het hersteldenken is er consensus dat de persoonlijke ervaringen van personen met een psychische problematiek een cruciale rol spelen in het vormgeven van gepaste hulpverlening. Ook in wetenschappelijk onderzoek naar herstel groeit het besef dat de levenservaringen en unieke perspectieven van personen die een herstelproces doormaken centraal zouden moeten staan. Toch blijven hun ervaringen tot op vandaag vaak overschaduwd door academische stemmen. Het gevaar hiervan is dat herstelonderzoek dreigt te resulteren in een academische monoloog, waarbij de onderzoeker het laatste woord heeft over de ervaringen van participanten. Wanneer we echt recht willen doen aan het unieke doorleefde perspectief van personen in herstel, is het hoognodig om traditionele binaire onderzoeksrelaties tussen onderzoekers en participanten te herdenken.
In deze presentatie willen we reflecteren op een onderzoekstraject dat wij, Pete (een ervaringsdeskundige) en Clara (een academische onderzoeker) samen afgelegd hebben, waarbij we samen Pete’s ervaringen omtrent zijn behandeltraject en herstel trachtten te ontrafelen. Tijdens dat traject ervoeren we de noodzaak van een verregaande co-creatieve aanpak in elke fase van het onderzoeksverloop, van het opstellen van de onderzoeksvragen tot het samen schrijven over onze resultaten. Ons onderzoeksproces kreeg gaandeweg vorm, ingegeven door de ethische imperatief om een voortdurende dialoog tussen ons als co-onderzoekers met en zonder ervaringskennis van herstel gaande te houden. Tijdens deze uiteenzetting willen we een aantal ethische reflecties delen omtrent onze zoektocht naar een meer dialogische onderzoeksrelatie, die ook vertaald kunnen worden naar de dagelijkse herstelondersteunende praktijk.

16u30 - 18u00
S37 High and Intensive Care in België

voorzitter Gorik Kaesemans

High & Intensive Care (HIC) is een Nederlands model voor kortdurende klinische opname in de geestelijke gezondheidszorg. HIC wil mensen die in een ernstige psychiatrische crisis verkeren goed en menswaardig opvangen en behandelen, in een omgeving waar veiligheid en bescherming gecombineerd worden met respectvolle zorg en behandeling. De HIC-werking is gericht op het herwinnen van de eigen regie van de patiënt en op het verminderen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Centrale concepten zijn presentie, zorgafstemming, op- en afschaling van zorg in een healing en holding environment.
In dit symposium zal het lopend implementatieproces in België toegelicht worden. Vanuit het lerend netwerk, dat gevormd wordt door de eerste pilootziekenhuizen met een opstartende HIC-werking, worden klinische ervaringen en expertise die in opbouw is, voorgesteld. Hierbij komen theoretische kaders en praktijkvoorbeelden aan bod. Ook het opstartend wetenschappelijk onderzoek wordt kort geschetst.

S37.0 Inleiding
Gorik Kaesemans, psycholoog, stafmedewerker, Zorgnet Icuro, Brussel

De implementatie van het HIC-model veronderstelt een fundamenteel veranderingstraject. Op vraag van het overlegorgaan 107 en de FOD-werkgroep intensifiëring brengt Zorgnet-Icuro de HIC-projecten samen in een lerend netwerk om ervaringen en “expertise-in-opbouw” uit te wisselen.
Verschillende thema’s komen aan bod: de wederzijdse verwachtingen van alle bij het HIC-model betrokken stakeholders, de impact die de HIC -implementatie beoogt binnen het netwerk, de architecturale vertaling van het HIC-model en de HIC-monitor. Deze monitor brengt de modelgetrouwheid in kaart en is een instrument voor kwaliteitsverbetering en implementatie-ondersteuning. De Nederlandse versie werd in afstemming met de betrokken collega’s uit Nederland geadapteerd naar de Belgische context. Aan de implementatie van de HIC-werking in België wordt wetenschappelijk onderzoek gekoppeld, gericht op formele kwalitatieve en kwantitatieve evaluaties, zodoende zicht te krijgen op patiënten-profielen binnen een HIC-werking; effectiviteit van de werking op individueel en maatschappelijk vlak; subjectieve beleving van patiënten, naasten en betrokken hulpverleners; de plaats van de HIC-unit in het GGZ-netwerk.

S37.1 De crisis in het onthaal
Davinua Schoutteten, psycholoog, Psychiatrisch Centrum Gent-Sleidinge

Een crisis is een noodsituatie waarbij het functioneren van iemand ernstig verstoord raakt. Dergelijke situatie vraagt een sensitieve en serene manier van aanwezig zijn, omdat de evidenties om tijdens een crisis eenvoudigweg met een ander in contact te kunnen zijn, wegvallen. Een gedegen visie over onthaal is op haar plaats.
We vertrekken in deze bijdrage vanuit het PC Gent-Sleidinge van de volgende premisse: ‘Het onthaal is oneindig en dient elk moment van de dag te gebeuren. Elk onthaal is telkens specifiek en uniek. Het opvangen van iemand in crisis is gericht op het maken van contact, wat we als basis van de psychotherapeutische relatie zien. In dit contact reduceren we de mens niet tot zijn diagnose, maar werken we met het particuliere verhaal van de mens’. In concreto zoomen we in op “het onthaal tijdens de eerste 5 minuten”, zo geformuleerd als HIC-criterium (HIC-monitor, 2016), waarvan we onmiddellijk kunnen stellen dat deze tijd minder gelimiteerd is dan ze lijkt. We beroepen ons niet op standaardprocedures, maar eerder op onze creativiteit en aandacht voor het verschil. We ontvangen de mens, met onze limieten, niet vanuit een positie van angst maar wel door het aanbieden van een veilige, zorgende omgeving, waar de koffie dichter staat dan de separatiekamer.
In deze korte schets vertrekken we uit onze afdelingsvisie en koppelen deze aan de praktijk. We werken met casuïstiek vanuit verschillende disciplines waarbij het specifieke van het onthaal centraal staat.

S37.2 Zorgafstemmingsgesprekken
Hella Demunter, psychiater, UPC KULeuven, Kortenberg
Luna Van Suetendael, sociaal verpleegkundige, verpleegkundige MPT dak- en thuislozen, ZNA (MPTDT), Antwerpen

Centraal in de HIC-werking staan zorgafstemmingsgesprekken (ZAG), die als een kritische succesfactor worden beschouwd. Deelnemers aan een ZAG zijn o.a. de HIC-behandelaars, de patiënt, zijn / haar naasten (eventueel patiëntvertegenwoordiger, vertrouwenspersoon) en extern betrokken professioneel netwerk. Samen trachten zij het ontstaan van de crisis en de evolutie ervan doorheen de HIC-opname te begrijpen. Hierbij wordt aandacht besteed aan luxerende en beschermende factoren. Een Open Dialogue-benadering (J. Seikkula) helpt om - vanuit meerstemmigheid - individuele wensen, noden en doelen voor de HIC-opname te laten landen in een onderhandeld behandelplan en signalerings- met crisisplan.
Het eerste ZAG wordt zo snel mogelijk georganiseerd: volgens de Nederlandse richtlijnen binnen de 24u na opname. Met de huidige organisatie van de GGZ in België lijkt dit nog niet haalbaar, waardoor heden een eerste ZAG binnen de eerste week van opname wordt beoogd. De beoogde opnameduur op een HIC bedraagt drie weken, maximaal met twee maal drie weken te verlengen. Het ZAG wordt in dat opzicht herhaald in week drie, en zo nodig week zes en negen van de opname. Idealiter zou ten laatste dan de zorg vanuit de HIC overgedragen moeten zijn naar het gekende of een nieuw ambulant, transmuraal, mobiel of (semi-) residentieel behandel- of zorgtraject. Daarom staat vanaf het eerste ZAG aandacht voor continuïteit van zorg centraal.
Tijdens deze bijdrage wordt ingegaan op positieve ervaringen en uitdagingen met betrekking tot de inhoudelijke en organisatorische vormgeving van zorgafstemmingsgesprekken binnen KARUS en UPC KU Leuven.

S37.3 Het opschalen van zorg
Ine Wanten, psycholoog, vakgroepverantwoordelijke, Psychiatrisch Ziekenhuis Asster, Sint-Truiden

Vooreerst kaderen we de HIC van Reling / Asster binnen netwerk en ziekenhuis, met bijzondere aandacht voor de Intensive Care Units. We lichten onze theoretische visie omtrent onze basisattitude in het werken met mensen in crisis kort toe, om van daaruit naar de praktijk te gaan en de verschillende opschalingsmogelijkheden te bespreken evenals de organisatie daarvan. We nemen de linken met het crisisontwikkelingsmodel, risicotaxatie en verbindende communicatie onder de loep. Deze werkwijze en het gebruik van de Intensive Care Units worden naast de afzonderingscijfers gelegd.

S37.4 Een plaats voor rooming-in en comfortrooms
Kathleen Lodewyckx, psycholoog, zorginhoudelijk coördinator Intro 2, zorgmanager, zorggroep Multiversum, Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain, Mortsel
Yves Kempeneers, maatschappelijk werker, systeemtherapeut, coördinator KADANS Wonen, zorggroep Multiversum, Boechout

De naasten van de patiënt worden als een belangrijke partner gezien in het zoeken naar verbinding, nabijheid en presentie. In dit deel van het symposium wordt aandacht geschonken aan het principe van rooming-in, waarbij naasten kunnen inslapen en als belangrijke partner betrokken worden in de behandeling. Rooming-in kan een sterke tool tot verbinding zijn, die een rechtstreekse meerwaarde kan betekenen in de triade patiënt – naaste – team. Rooming-in kan ons ook onrechtstreeks ondersteunen om de doelstellingen van het HIC-model na te streven. We staan stil bij hoe het principe van rooming-in het PZ Multiversum werd georganiseerd. Er zal aan de hand van praktische voorbeelden stilgestaan worden bij positieve aspecten en uitdagingen.
Binnen het HIC-model ligt de zorgfocus ook op het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Met de installatie van een comfortroom in het PC Dr. Guislain beogen wij deze preventieve benadering waarin opschaling van zorg een belangrijke plaats heeft. De comfortroom is een huiselijke en gezellig ingerichte kamer. De ruimte is veilig maar is niet volledig suïcide-proof. De veiligheid zit in het empowerment, het vertrouwen dat de patiënt krijgt om op een constructieve manier om te gaan met een crisis. De comfortroom is gericht op het herwinnen van rust, ontprikkelen en ontladen door een aanbod van passieve en actieve activiteiten. De nadruk ligt op normalisatie, het overwinnen van een moeilijk moment door het zoeken van afleiding, het ordenen van gedachten in een rustige omgeving.