18 en 19 september 2018
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Allemaal anders

mededelingen

Woensdag 19 september 2018 | 09u15 - 10u45
M10 Ervaringswerk
moderator:
M10.1 De transitie van patiënt tot ervaringswerker
Bart Debyser, wetenschappelijk medewerker, lector, VIVES hogeschool, Sint-Jozefskliniek Pittem, UGent, Tielt
Inleiding: Ervaringswerkers worden wereldwijd steeds meer ingeschakeld in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Om hun rol als ervaringswerker op te nemen dienen patiënten te evolueren van een patiënt-identiteit naar een identiteit als ervaringswerker.
In deze studie willen we dieper inzicht verwerven in hoe ggz-ervaringswerkers hun transitie beleven en hoe deze transitie hun kijk op zichzelf en hun directe werkcontext beïnvloedt.
Methodologie: Kwalitatief onderzoek werd opgezet. Zeventien ggz-ervaringswerkers uit verschillende Vlaamse provincies werden gerekruteerd via doelgerichte en theoretische steekproeftrekking. Semi-gestructureerde interviews werden afgenomen en geanalyseerd volgens de constante comparatieve methode en geïnterpreteerd vanuit een ‘grounded theory’- benadering.
Resultaten: Instappende ervaringswerkers ervaren ervaringswerk in de eerste plaats als een kans om hun persoonlijk herstelproces te continueren. Rollen opnemen als ervaringswerker laat toe om zich los te wrikken uit het proces van psychisch lijden en een voor zichzelf acceptabele vorm van persoonlijk zelfbehoud te realiseren. Naarmate ervaringswerkers zich inwerken in organisaties als ervaringswerker, worden ze geconfronteerd met factoren buiten zichzelf die hun zelfbehoud en persoonlijke ontwikkeling beïnvloeden. Het ervaren van duidelijkheid, gelijkwaardigheid, transparantie en helderheid versterkt hun beleven van zelfbehoud en beïnvloedt hun zelfontwikkeling positief.
Op basis van de resultaten kon een dynamisch model ontwikkeld worden dat het wordingsproces tot ervaringswerker verheldert.
Discussie: De studie legde basisvoorwaarden bloot die ervaringswerkers nodig hebben om zich als ervaringswerker te kunnen ontwikkelen. De inzichten uit deze studie zijn inspirerend om samen met ervaringswerkers een competentiegericht ondersteuningskader op te zetten binnen de eigen organisatie.  

M10.2 Kan je als ex-client zelf therapie geven?      GEANNULEERD
Tom De Rocker,
creatief therapeut, crisisbegeleider, Creatieve verbinding , Sint-Niklaas

M10.3 Werken met vrijwilligers
Machteld Van Ostaede, vormingswerker, centrum ZitStil, Wilrijk
Centrum ZitStil kan sinds het ontstaan rekenen op vrijwilligers. Vrijwilligers brengen in een organisatie ervaring binnen. Zij maken de vertaling naar de concrete praktijk.
Toch is er vaak een spanningsveld tussen professionelen en vrijwilligers.
Waar dient een organisatie op te letten als ze kiest om met vrijwilligers te werken?
Wat zijn de valkuilen? Zowel voor de organisatie als voor de vrijwilliger?
Bij deze mededeling gaan we hier dieper op in en geven we enkele handvaten mee om op een goede manier vrijwilligerswerk te organiseren

M10.4 Het verloren bos
Tom Van den Abeele, ervaringswerker, UPC St Kamillus, Bierbeek
Met als titel "Het Verloren Bos" breng ik mijn herstelverhaal. Ik getuig over mijn bipolaire stoornis en hoe die mijn leven heeft beïnvloed. Ik vertel over mijn laatste opname in 2013 en hoe mijn leven daarna verlopen is tot nu. Zo getuig ik over hoe ik via vrijwilligerswerk aan een betaalde baan als ervaringswerker ben geraakt. Daarnaast vertel ik ook over het belang van steun die ik kreeg van familie en vrienden. Het is mijn bedoeling om via mijn herstelverhaal aan te tonen dat je ondanks een psychische kwetsbaarheid een rijk, onafhankelijk leven kan leiden, een leven dat niet onder doet voor dat van de gemiddelde burger.

Woensdag 19 september 2018 | 10u00-10u45
M11 Zorgende omgeving
moderator: Jan Van Speybroeck
M11.1 Een coachingtraject voor sleutelfiguren – naar een inclusieve en zorgende stad.
Joke Vasseur, coördinator, team Gezondheid en Gezin, dienst Welzijn en Gelijke Kansen, Stad Gent
Yeter Keten
Situatie: Sleutelfiguren binnen gemeenschappen met migratieachtergrond vervullen verschillende rollen. Naast hun eigen dagtaak en gezinspositie, zijn zij ook aanspreekpunt en vertrouwenspersoon. Zij krijgen heel wat vragen rond verschillende thema’s en komen dikwijls in aanraking met schrijnende verhalen, multi-problematieken, crisissituaties, … Vaak blijft het niet bij het geven van een eenvoudig antwoord, maar wordt ook verwacht dat ze de vraagsteller verder helpen en opvolgen. Deze rol groeide vaak organisch vanuit een – publieke - functie (bv. imam, voorzitter vereniging, handelaar, …). Voor hun gemeenschap vormen sleutelfiguren een belangrijk sociaal vangnet. Voor de stad (incl. het zorg- en welzijnslandschap) vervullen zij ook een brugfunctie, ‘de sleutel’, naar moeilijk bereikbare groepen.
Probleem: Verschillende sleutelfiguren geven aan dat hun eigen draagkracht onder druk staat en dat zij niet steeds de nodige kennis, vaardigheden of opleiding genoten hebben om op gepaste wijze een oplossing te kunnen bieden.
Kern: Gezien hun belangrijke functie, besliste Stad Gent hen te ondersteunen: Van november 2017 t.e.m. februari 2018 werd een coachingtraject uitgetekend voor twaalf sleutelfiguren, geheel op maat en inclusief ondersteuning rond kennis van de sociale kaart, vaardigheidstraining en intervisie. Het traject omvat een ontwikkelmoment, zes lesmomenten en een terugblikmoment. Kernpartners zijn GroepINTRO, CGG Elips, MAP en LOGO Gezond+.
Conclusie: Dit coachingtraject voor sleutelfiguren dient als pilootproject voor verdere initiatieven. Uit tussentijdse evaluatie blijkt dat dit alvast erg positief ervaren wordt. In 2018 wordt een grondige evaluatie opgemaakt.

M11.2 Man-made blue zones
Kim Schutters, leefcoach, Triamant, Turnhout
Het is niet schitterend gesteld met de geestelijke gezondheid in België. De bewandelde paden zijn helaas niet toereikend gebleken. Het is tijd voor innovatie. Onderzoek toont aan dat de concepten vitaliteit, verbinding en autonomie naar voor dienen geschoven te worden in de geestelijke gezondheidszorg. Hoog tijd om de oogkleppen af te werpen wanneer het gaat over zorg. We dienen niet enkel bruggen te bouwen tussen gezondheidspromotie, ziektepreventie, zorg en therapie, we dienen te gaan voor een geïntegreerd verhaal waarin leven deel uitmaakt van zorg en waarbij de mens in zijn geheel wordt bekeken vanuit zijn geschiedenis en identiteit. Waarbij anders-zijn of de symptomen en pathologieën niet centraal staan, maar wel het schrijven van een holistisch en breed verhaal op maat. Of hoe het creëren van een gastvrije buurt kan bijdragen aan meer levenskwaliteit voor iedereen.

Woensdag 19 september 2018 | 10u00-10u45
M12 Veiligheid
M12.1 Veilig in contact: verminderen van agressie als effect van aandacht voor verbindende vorming
Ann Peeters, vakgroepverantwoordelijke nonverbale therapie, PZ Bethaniënhuis, Zoersel
Mieke Wouters, muziektherapeut, PZ Bethaniënhuis, Zoersel
Régien Schepkens, trainer en coach communicatievaardigheden, Elim, Kapellen
Het PZ Bethaniënhuis zet sterk in op het verminderen van agressie als effect van aandacht voor “goede zorg”. De ontmoeting en het contact met de patiënt staan centraal. Aandacht voor de Ander en zijn anders-zijn, jezelf en het milieu leidt er toe dat het voorkomen van agressie vermindert. Centraal staat het therapeutisch klimaat als een noodzakelijke dragende omgeving om de patiënt als mens te ontmoeten. Als de wereld buiten niet meer in staat is het psychisch lijden dat elk leven kenmerkt te (ver)dragen, is er nood aan een omgeving die 'anders' (zorg)draagt. En net dit anders dragen maakt een verschil. Een eerste opdracht van de psychiatrie bestaat er met andere woorden in dat we de mogelijkheid hebben om de omgeving als ‘(ver)dragend’ te gaan gebruiken en in contact te blijven, ook in moeilijke situaties.
In het recent door ons ontwikkeld vormingspakket Veilig In Contact leer je hoe je als hulpverlener zelfs in de moeilijkste situaties, die gepaard kunnen gaan met agressie, tóch in contact kunt blijven met jezelf en de ander. Verbindende Communicatie vormt de rode draad. Het helpt je om op elk moment duidelijk te krijgen wat voor jou belangrijk is en wat je nodig hebt. Het inspireert je om op een effectieve en respectvolle manier te zeggen wat je van anderen verwacht. Via ervaringsgerichte oefeningen m.b.t. spanningsregulatie, afstand- en nabijheid, contact in crisis, persoonsgerichte basisveiligheid technieken leer je hoe je je veilig(er) kan voelen. De basisvorming wordt gedifferentieerd aangevuld met een aantal modules die je helpen om contact te blijven maken, ook in moeilijke situaties vanuit een grondhouding van gelijkwaardigheid, betrokkenheid en respect voor het anders-zijn van elke mens.

M12.2 Bepalen van veiligheidsniveaus bij geïnterneerden in Vlaanderen: van ongestructureerd naar gestructureerd klinisch oordeel met behulp van de DUNDRUM-toolkit
Petra Habets, wetenschappelijk medewerker, OPZC, Rekem
Wanneer in België een dader ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, wordt die persoon niet tot een gevangenisstraf veroordeeld maar bevolen tot een beschermingsmaatregel voor onbepaalde tijd. De kamer ter Bescherming van de Maatschappij (KBM) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de interneringsmaatregel (bv toekennen van verlof en van voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijlating). Verder beslist de KBM ook in welke instelling de geïnterneerde zal worden behandeld en dus ook welk veiligheidsniveau de patiënt nodig heeft. Criteria om het veiligheidsniveau te bepalen bestaan momenteel niet in België. Het ontbreken van een definitie en het onvermogen om de mate van veiligheid op een systematische en betrouwbare manier te bepalen, biedt een barrière om behandelingen aan te bieden die zijn aangepast aan de behoeften van de forensische patiënt.
De DUNDRUM-toolkit is een instrument dat kan worden gebruikt om ondersteuning te bieden bij het gestructureerd klinisch oordeel voor het bepalen van het veiligheidsniveau (DUNDRUM-1). Een willekeurige selectie van 100 Vlaamse geïnterneerden - die op het moment van de studie nog steeds in de gevangenis verbleven - werd gemaakt en de DUNDRUM-1 en DUNDRUM-2 (triage-urgentie) werden gescoord met behulp van de KBM-bestanden. De beslissing van de KBM over de toegewezen behandelsetting (en dus welk veiligheidsniveau) werd geregistreerd. Resultaten met betrekking tot de toepasbaarheid van de DUNDRUM-toolkit in Vlaanderen en de relatie tussen de beslissing van de KBM op veiligheidsniveau en het veiligheidsniveau DUNDRUM-1 worden gepresenteerd.

Woensdag 19 september 2018 | 11u15-12u45
M13 E-health
moderator: Marlien De Coen

M13.1 Werken aan herstel: Cliëntfeedback als richtingaanwijzer
Nele Stinckens, zaakvoerder, Quality in Treatment, Kessel-Lo
Claude Missiaen, zaakvoerder, Quality in Treatment, Kessel-Lo
Jeroen Dekker & Karen Stockbroekx, Mobiel team Zuid, Noolim
De herstelgerichte benadering maakt sterk opgang in de geestelijke gezondheidszorg. Deze benadering is ontstaan vanuit het gebruikersperspectief en heeft als leidende principes: cliënten de regie teruggeven over hun eigen gezondheid, het benutten van hun ervaringsdeskundigheid, het stimuleren van ‘empowerment’ en veerkracht en het aanboren van de positieve, groeibevorderende aspecten in het zorgproces (i.p.v. het reduceren van ziekte of disfunctioneren). Het werken met systematische cliëntfeedback sluit naadloos aan bij deze principes.
Het werken met cliëntfeedback is maar zinvol als een geschikte selectie van feedbackinstrumenten voorhanden is, die het werken aan herstel bij cliënten met meer chronisch psychisch lijden op een klinisch relevante en gebruiksvriendelijke manier bevraagt. In deze mededeling wordt een online tool voorgesteld die vanuit de herstelgerichte visie werd ontwikkeld en gedurende negen maanden werd uitgerold in het mobiel team Zuid-Noolim. De selectie van feedbackinstrumenten en de afnamesequentie gebeurde in nauw overleg met het team en werd afgestemd op de specifieke klinische setting: het langdurig werken met chronisch lijden vanuit een multidisciplinaire setting.

M13.2 Een app in de ggz: een hype of een must?
Ellen Excelmans, klinisch psycholoog, Learn2ACT, Heist op den Berg
Learn2ACT staat voor blended Acceptance and Commitment Therapy: een mobiele applicatie wordt hier ‘gemixt’ met een ACT-behandeling. De app herinnert de cliënt aan wat écht telt in het leven: de waarden. Wekelijks wordt de cliënt gevraagd te scoren in welke mate hij leeft naar zijn waarden en wat hij kan doen om deze waarden méér in zijn leven te brengen. Deze waardengerichte acties worden regelmatig in herinnering gebracht zodat de cliënt zijn goede voornemens niet uit het oog verliest. Al deze informatie wordt bijgehouden en verwerkt in de app. Hierdoor krijgt de cliënt zicht op zijn persoonlijke evolutie en kan hij zich bijsturen, wanneer blijkt dat hij afgeweken is van zijn waarden.
Mits toestemming van de cliënt heeft de behandelaar ook toegang tot deze data via een beveiligd hulpverlenerspanel. Zo kan de behandelaar vanop afstand de toestand van zijn cliënten opvolgen en ingrijpen indien nodig.
In deze mededeling bespreken we de bevindingen van het mHealth-project dat in 2017 in psychologenpraktijk De Braam liep. Doel van de app was het bieden van opvolging en ondersteuning buiten de contactmomenten met de psycholoog. Achtereenvolgens bespreken de reacties van deelnemers van het project en het effect op de wachtlijst en het aantal crisisconsultaties in de praktijk. Ook staan we stil bij de bruikbaarheid van Learn2ACT om een terugval in psychische klachten en problemen te detecteren en misschien ook wel te voorkomen.

M13.3 Workshop Ecoaching en Mhealth
Sergei Versteeg, eigenaar, Moeve, Moerdijk
Na de brede acceptatie van e-learning is het tijd voor e-coaching. Laagdrempelige begeleiding van het grote publiek bij allerhande levensvragen. Geen stigma, eenvoudig toegankelijk en onder eigen regie in contact komen met een coachings professional, is wat veel mensen direct kan helpen. Wij hebben hiertoe een platform opgericht in de vorm van een app voor mobiele apparaten. Het kan gezien worden als eerste portaal, de nulde lijnszorg.
Bijkomend maatschappelijk effect is een verlichting van de druk op ggz, die alsmaar groter wordt. De maatschappij verandert in rap tempo terwijl de zorg (nog) niet voldoende mee verandert. Daarom hebben wij dit initiatief genomen en willen tijdens het congres graag onze ervaringen delen.

M13.4 Hoe vermindert stress, angst, depressiviteit of burn-out tijdens en na het online Zelfhulpprogramma MijnKwartier.be? Een opvolgstudie
Paul Koeck, hoofdgeneesheer Zelfhulpprogramma, MijnKwartier.be, Antwerpen
In deze longitudinale opvolgstudie volgen we wereldwijd meer dan 8.000 patiënten met stressgebonden klachten tot zeven jaar na deelname aan het Vlaamse online zelfhulpprogramma 'MijnKwartier.be'.
Slechts 36% lieten zich in die periode professioneel begeleiden door een hulpverlener, niettegenstaande de wekelijkse aansporingen dit wel te doen, wat suggereert dat we mogelijks een grote doelgroep - van twee op drie deelnemers - aanspreken die anders geen hulp zouden krijgen of zoeken.
Tijdens deelname aan het programma testen we de patiënt wekelijks op stress, angst, depressiviteit en levenstevredenheid. De gemiddelde deelnemer bereikt normale, scores binnen de 21 dagen, met een stijging van de levenstevredenheid van 40% en halvering van de stressscores in diezelfde periode.
Nadien nodigen we deelnemers jaarlijks uit deel te nemen aan de opvolgstudie door zich te hertesten. In deze mededeling bespreken we zowel de evolutie tijdens het programma als gedurende de jaren na het beëindigen van het online zelfhulpprogramma 'MijnKwartier.be'. We gaan in op volgende vragen:
• Hoe evolueert de deelnemer tijdens het programma?
• Hoe evolueren klinische scores gedurende de jaren na beëindiging van het programma?
• Indicaties en contra-indicaties voor deelname?
• Hoe volg je als arts of hulpverlener je patiënt best op tijdens en na deelname?
• Hoe verloopt rapportering voor de hulpverlener?
• Hoe kan je de gratis zelftest gebruiken voor je patiënt in je klinische praktijk?
Referentie: www.MijnKwartier.be

Woensdag 19 september 2018 | 11u15-12u45
M14 Herstel in organisatie
moderator: Kurt Kerkaert

M14.1 Zonder bagage, geen kwaliteit van zorg
Tanja Gouverneur, projectmedewerker, VVGG, Gent
Met het Globaal Plan Ervaringsdeskundigheid werken hulpverleners, ervaringsdeskundigen en familiebetrokkenen constructief aan een fundament waarmee de inzet van ervaringsdeskundigen een kwaliteitsvol en duurzaam verhaal kan worden in de geestelijke gezondheidszorg.
Moeten ervaringsdeskundigen gevormd en opgeleid worden vooraleer ze een rol opnemen in de geestelijke gezondheidszorg? En moet dat voor alle rollen die ze daar kunnen opnemen of is (in sommige rollen) net hun authenticiteit zo waardevol en moet die gekoesterd worden? En hoe ‘zorgen’ we daarvoor?
Moeten klassiek geschoolde hulpverleners trouwens ook niet stilaan leren om op een professionele manier hun eigen ervaringen in te zetten? En waar ligt dan straks de grens?
Wanneer wordt de ervaringsdeskundige een hulpverlener en de hulpverlener ervaringsdeskundige?
Kunnen ze elkaar misschien ergens ont-moeten zodat wij-zij weer gewoon wij en onze zorg wordt?
In het land van de hoopverleners misschien, waar ‘kwali-tijd’ heer en meester/juffrouw is.

M14.2 OP WEGG, verbinding tussen Ervaringsdeskundigen in de provincie Antwerpen
Bart Buyens, ervaringswerker, OGGPA, Wilrijk
Ontmoeting Participatie Werkgroep Ervaringsdeskundigheid Geestelijke Gezondheid is een initiatief van het Overlegplatform Geestelijke Gezondheidszorg Provincie Antwerpen (OGGPA). OP WEGG wordt gedragen door een groep gedreven ervaringsdeskundigen die hun ervaringen en inzichten inzetten om mee te timmeren aan de weg naar meer herstelondersteunende zorg, ondersteund door drie ervaringswerkers en een procesbegeleider vanuit het platform.
We delen onze ervaringskennis en inzichten ten behoeve van de ggz. We doen dit o.a. via deelname aan overlegmomenten binnen de ggz, het brengen van herstelverhalen en het geven van workshops tijdens congressen of in scholen en zorgvoorzieningen. Daarom zijn we steeds op zoek naar mensen die hun ervaringen hiervoor willen inzetten.
Op de provinciale bijeenkomsten focussen we op verbinding en afstemming tussen de regionale initiatieven rond ervaringsdeskundigheid. Zo kunnen we ook een breder gedragen stem overbrengen naar het Vlaamse niveau (Vlaams Herstelplatform en Globaal Plan ED). Provinciaal behandelen we dus eerder algemene thema’s zoals coaching van ervaringsdeskundigen, voorbereiden van de werkvloer, statuut, …
Regionaal focussen we op intervisie onder ervaringsdeskundigen, inbedding in het netwerk 107 en lokale initiatieven.

M14.3 Hoe 'herstel' ik mijn organisatie?
Nathalie Albert, ervaringsdeskundige ggz, Alexianen Zorggroep Tienen
We denken vaak dat we al herstelondersteunend werken. Dat zou betekenen dat er effectief een verandering in werkmethode, aanbod en cultuur van onze organisatie en haar werknemers is. Tien jaar geleden beschreven Geoff Shepherd, Jed Boardman en Mike Slade hoe een herstelondersteunende organisatie of team er uit ziet in 'Making recovery a reality'. In deze mededeling kijk ik als ervaringsdeskundige hoe actueel deze visie is en nageleefd wordt, en geef ik tips mee naar hoe het nóg beter kan.

M14.4 Kwartiermaken op vijf minuten: herstelvisie op PAAZ
Tine Maes, coördinerend hoofdverpleegkundige GGZ, GZA, Antwerpen
Iris Keulemans, psychiatrisch verpleegkundige, PAAZ Sint Vincentius, Antwerpen
Carolyn Cornelis, psychiatrisch verpleegkundige, PAAZ Sint Vincentius, Antwerpen
Hilde Janssens, psychiatrisch verpleegkundige, PAAZ Sint Vincentius, Antwerpen
Het PAAZ-concept omvat vijf pijlers. Urgentiepsychiatrie (1), een kortdurende behandeling op de hospitalisatie-eenheid (2), liaisonpsychiatrie (3) en ambulante klinische zorgverlening (4). De vijfde en laatste pijler is door impulsen van de vermaatschappelijking van de ggz toegevoegd. Deze omvat intensieve samenwerking tussen het PAAZ en andere partners binnen de geestelijke gezondheidszorg ter implementatie en optimalisatie van nieuwe en bestaande zorgcircuits en zorgnetwerken (5).
Het huidige ggz-landschap in combinatie met de positie als PAAZ, brengt de opportuniteit met zich mee om een nieuwe visie te implementeren. PAAZ Sint-Vincentius heeft een divers doelpubliek, de gemiddelde opnameduur in 2017 bedroeg 18.8 dagen. Dit geeft als uitdaging een kortdurend behandelaanbod op maat van de patiënt aan te bieden.
Herstelondersteuning is het ondersteunen van individuele, unieke herstelprocessen. Het gaat om een andere manier van kijken naar de cliënt. Deze krijgt de leiding in zijn eigen proces. Van hulpverleners wordt een actieve rol gevraagd in de visieontwikkeling. Het implementeren van deze visie in een acute PAAZ-setting met een korte opnameduur is een boeiende uitdaging. Graag delen we onze ervaringen en geven ‘tips and tricks’.

Woensdag 19 september 2018 | 11u15-12u45
M15 Afstemmen
moderator: Maya van Zelst
M15.1 Exploratieve studie naar het gebruik van het BelRAI Community Mental Health instrument in de zorg voor personen met een ernstige psychische aandoening en/of verslaving
Kathleen De Cuyper, senior onderzoeker en projectleider, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
Liza Van Eeno, Anja Declercq, Chantal Van Audenhove, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
BelRAI-instrumenten zijn internationaal gevalideerde, generieke beoordelingsinstrumenten waarmee zorgverleners uit de welzijns- en gezondheidssector op een gestandaardiseerde en uniforme wijze de zorgnoden en het functioneren van kwetsbare personen in kaart brengen. In een exploratieve studie in 13 voorzieningen werd voor het eerst de bruikbaarheid getest van het BelRAI Community Mental Health (CMH) instrument in de zorg voor personen met een ernstige psychische aandoening en/of verslaving. Het CMH instrument werd op papier ingevuld voor 61 personen. Daarnaast vulden zorgverleners (n = 13), maar ook zorgmanagers (n = 22), patiënten- en familievertegenwoordigers (n = 4) en beleidsmakers (n = 6) een vragenlijst in over hun visie op het gebruik van het BelRAI beoordelingssysteem in de geestelijke gezondheidzorg in Vlaanderen. De vier groepen van stakeholders vinden het ontbreken van de herstelvisie in het BelRAI CMH instrument een belangrijk minpunt. Dat de meeste zorgverleners het instrument hebben gebruikt als een interview i.p.v. als een observatie-instrument is daar niet vreemd aan. Daarnaast staan alle betrokken groepen negatief t.o.v. de tijdsinvestering die het gebruik van het instrument vraagt. Vervolgens vinden de zorgverleners dat het instrument bijdraagt tot een breed assessment van de cliënten en helpt het hen om gevoelige materie aan te kaarten in het gesprek met cliënten. Alle bevraagde groepen verwachten tenslotte dat het delen van de BelRAI resultaten tussen zorgverleners die betrokken zijn bij eenzelfde cliënt, een positieve bijdrage kan leveren tot de kwaliteit van zorg, op voorwaarde dat het delen op een professionele en omzichtige manier gebeurt en in overleg met de cliënt.

M15.2 Het betrekken van medewerkers bij kwaliteitszorg: werken met kwaliteitsindicatoren
Stefaan Baert, kwaliteitscoördinator, PC Sint-Jan, Eeklo
De meeste medewerkers streven ernaar de kwaliteit van hun werk te behouden of te verbeteren. Door medewerkers actief te betrekken bij het gevoerde (kwaliteits)beleid, krijgen we zicht op hoe ze kwaliteit nastreven op de werkvloer. We doen dit aan de hand van een toetsingsmethodiek waarbij referentiepersonen een welomschreven en vooraf afgesproken onderdeel van het zorgproces tegen het licht houden. We enthousiasmeren medewerkers door hen zelf te laten invullen wat voor hen kwaliteit betekent, en hen te laten stilstaan bij de vraag hoe ze dit zouden kunnen realiseren op de werkvloer en meetbaar maken aan de hand van kwaliteitsindicatoren. Een dergelijke manier van werken levert niet alleen meer betrokkenheid op van medewerkers, ze toont ook of procedures/protocollen (nog) in overeenstemming zijn met de praktijk en hoe er door medewerkers mee wordt gewerkt. Naast de uitgangspunten, doelstellingen, kritische succesfactoren en praktische voorbereidingen van deze toetsingsmethodiek focust deze bijdrage op drie praktische voorbeelden: (1) nazorgplannen, (2) patiëntgerichte farmaceutische begeleiding van de patiënt en (3) de implementatie van de procedure geneesmiddelenflow. We tonen aan dat met kwaliteitsindicatoren doelgericht kan worden gewerkt aan de realiseren van een kwaliteitsvolle dienstverlening op de werkvloer.

M15.3 De AMPS (assessment of motor and process skills) als instrument om ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis af te stellen op de noden van de cliënt
Jeroen Vos, coördinator ergotherapie en beeldende therapie, UPC KULeuven, Kortenberg
De AMPS werd geïmplementeerd in de werking van de dienst ergotherapie binnen de psychosesector. Dit instrument draagt er toe bij om als team samen met de cliënt sneller de beslissing te kunnen nemen om terug te functioneren buiten de muren van het ziekenhuis.
Doordat de AMPS de vaardigheden observeert die nodig zijn voor ongeacht welke huishoudelijke taak of zelfzorgtaak, krijgt men inzicht in de vaardigheden die het handelen belemmeren of juist ondersteunen. Een zogenaamd sterkte en zwakte profiel van de cliënt wordt weergegeven in een samenvattend computer rapport.
De scores van het instrument geven een indicatie of ondersteuning in de (thuis)situatie van de persoon noodzakelijk of gewenst is. Vanuit deze sores kan er samen met de cliënt gezocht worden naar de noodzakelijke ondersteuning, zodat deze een ondersteuning op maat krijgt na zijn behandeling in het ziekenhuis.

M15.4 Afstemmen op (de persoon met) suïcidale ideatie: een blik op de bijdrage van ggz-verpleegkundigen
Joeri Vandewalle, doctoraatsonderzoeker, Universitair Centrum voor Verpleegkunde en Vroedkunde, UGent / FWO Vlaanderen
In de geestelijke gezondheidszorg hebben verpleegkundigen een belangrijke plaats in de zorg voor mensen met suïcidale ideatie. Doordat zij dicht bij de patiënt staan, hebben verpleegkundigen een functie in het signaleren, monitoren en behandelen van suïcidale ideatie. Uit literatuur blijkt echter dat er vaak nog verwarring bestaat over de rol en bijdrage van verpleegkundigen in de zorg voor mens met suïcidale ideatie. Om het inzicht in de rol en bijdrage van verpleegkundigen in de zorg voor die patiëntengroep te vergroten werd een onderzoek opgestart. In het onderzoek werden verpleegkundigen geïnterviewd die actief zijn op afdelingen in psychiatrische centra waar regelmatig patiënten opgenomen worden met suïcidaal ideatie. In de interviews kwam naar voren dat het belangrijk is voor verpleegkundigen om te investeren in de zorgrelatie als basis voor een afgestemd contact met de patiënt. De eigenheid van de zorgrelatie bepaalt of deze afstemming eerder functioneel dan wel persoonsgericht wordt ingevuld. Het is in dat opzicht opvallend hoe sommige verpleegkundigen star vasthouden aan de uitvoering van protocollen terwijl ze afstemming proberen zoeken met de voorkeuren van de individuele patiënt. Deze onderliggende processen bepalen hoe verpleegkundigen suïcidaliteit detecteren en welke betekenis ze toeschrijven aan de gerelateerde interventies. Tijdens de mededeling worden enkele implicaties voor de praktijk, onderwijs en verder onderzoek besproken.

Woensdag 19 september 2018 | 13u45-15u15
M16 Aandacht voor kinderen en jongeren
moderator: Gilles Geeraerts

M16.1 Werken met kwetsbare gezinnen waar KOPP/KOAP-thematiek speelt
Kris Holemans, medewerker KOPP/KOAP, Familieplatform Geestelijke Gezondheid, Berchem
Als in ons land een op vier volwassenen tijdens zijn leven te kampen krijgt met een psychische problematiek, dan gaat dat ook - en misschien wel meer - voor kwetsbare gezinnen op. Gezinnen die om allerlei redenen de weg naar de geestelijke gezondheidszorg niet vinden of kennen, o.a. multiprobleemgezinnen, kansarmoede, niet-westerse blik op welzijn, ...
Dit betekent dat een grote groep kinderen opgroeit als kind van een ouder met een psychische of afhankelijkheidsproblematiek, binnen een gezin waar de diagnose niet onderkend wordt en dat nauwelijks de weg vindt naar ondersteuning.
Als we hierin meenemen dat een op drie KOPP zelf een langdurige en ernstige psychiatrische problematiek in de loop van zijn of haar leven ontwikkelt, wordt onze verantwoordelijkheid als maatschappij en als geestelijke gezondheidszorg duidelijk: het bereiken van alle gezinnen, het op de radar brengen van elk kind.

M16.2 Samen zorgen we beter. Het familieperspectief in de Geestelijke Gezondheidszorg
Ria Van Den Heuvel, voorzitter RVB, Familieplatform Geestelijke Gezondheid, Berchem
Vermaatschappelijking betekent vaker zorg in de thuisomgeving. 76% zorgt voor zijn of haar kind, 10% voor zijn partner en 7% voor broer of zus. Nog eens meer dan 1/3 staat er helemaal alleen voor. En dat gemiddeld 22u per week. We vragen als maatschappij uiterst veel van deze diverse en grote groep mensen. Informeren, ondersteunen, betrekken en participeren van familie en naastbetrokkenen zijn dus essentieel om te kunnen spreken van goede en hedendaagse hulpverlening. Want zij zijn diegene waarop hij of zij steunt. Want hulpverlening is (liefst) maar vaak tijdelijk. Daarom introduceert het Familieplatform Geestelijke Gezondheid een brochure om deze grote groep te informeren rond waarom het belangrijk is met naastbetrokkenen samen te werken, wat het kan inhouden en wat dat betekent voor het beroepsgeheim. Tijdens de mededeling lichten we toe hoe samen met een familieorganisatie met deze brochure aan de slag te gaan. En hoe we met deze brochure het gesprek kunnen aanknopen en de trialoog aangaan.

M16.3 Ouderfuncties in de 21ste eeuw: is het allemaal anders?
Christine Franckx, psychiater, medische directie, vzw Gehechtheid in Ontwikkeling, Antwerpen
Vanuit de klinische ervaring met jonge kinderen en hun ouders wordt nagedacht over het belang van maatschappelijke factoren in de vorm die ouderschap in de 21ste eeuw kan aannemen. Het nucleaire gezin met een verschillende rol voor vader en voor moeder komt minder veralgemeend voor. De nieuwe modaliteiten van gezinsorganisatie, de veranderingen in rollenpatroon tussen man en vrouw, de grotere zichtbaarheid van seksuele en genderdiversiteiten in de hedendaagse samenleving en de gewijzigde werksfeer hebben mogelijks een effect op de psycho-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen. Het is een gelegenheid om invarianten in good enough ouderfuncties opnieuw te bevestigen. Worden gekende vragen nu op een andere manier gesteld of maken we een paradigmatische verschuiving mee in de maatschappelijke rolpatronen?

M16.4 De ontwikkeling van een Vlaamse Kind-check voor toepassing in de geestelijke gezondheidszorg
Evelien Coppens, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
Chantal Van Audenhove, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
Psychische en verslavingsproblemen kunnen een invloed hebben op het gedrag van ouders en de manier waarop ze met hun kinderen omgaan. Zorgen voor regelmaat, toezicht en voorspelbaarheid en een affectieve relatie aangaan met het kind, kunnen in het gedrang komen en leiden tot onveiligheid voor de kinderen. Sinds 2013 zijn Nederlandse hulpverleners die werken met volwassen patiënten verplicht om een Kind-check uit te voeren. Zij gaan tijdens hun patiëntencontact na of er kinderen in het gezin zijn en maken een inschatting van de impact van de ouderproblematiek op de veiligheid en het welzijn van de kinderen. Wanneer de situatie van de patiënt mogelijke risico’s oplevert voor de kinderen, gaat de hulpverlener hierover in gesprek met de patiënt en regelt indien nodig gepaste hulp.
De Kind&Gezin-conferentie ‘De toekomst is jong’ (2016) stelde dat verontrusting en zorg voor de veiligheid en het welzijn van kinderen in Vlaanderen een gedeelde zorg in de maatschappij moet zijn. Hulpverleners die zorg verstrekken aan ouders hebben hierin een wezenlijk aandeel. De Nederlandse Kind-check werd naar voren geschoven als een goede praktijk om professionals in deze rol te ondersteunen. In opdracht van het Steunpunt Welzijn Volksgezondheid en Gezin ontwikkelt LUCAS KU Leuven een Vlaamse Kind-check met bijbehorende tools en een implementatieplan. Aan de hand van een documentanalyse, focusgroepen en expertpanels verzamelen we input om te komen tot een kind-check afgestemd op het Vlaamse hulpverleningslandschap.

Woensdag 19 september 2018 | 13u45-15u15
M17 Therapie
moderator: Kirsten Catthoor
M17.1 Onderzoek naar subtypes binnen de borderline persoonlijkheidsstoornis en hun behandelingsverloop
Ellen Sleuwaegen, psycholoog, PZ Duffel
Borderline Persoonlijkheidsstoornis (BPS) is de meest voorkomende persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door een patroon van instabiliteit op het vlak van emoties, cognities, zelfbeeld en sociaal functioneren. Er is echter een grote diversiteit in klinische presentatie en verloop. Op afdeling de Spinnaker van het PZ Duffel werd een longitudinale studie uitgewerkt om na te gaan of er verschillende BPS-subtypes bestaan op basis van temperamentkenmerken en of deze een ander behandelingsverloop kennen binnen een dialectisch gedragstherapeutische behandelingssetting. De bevindingen kunnen in de toekomst meegenomen worden in het zoeken naar meer aangepaste behandeling en aanpak van patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis in de klinische praktijk. De resultaten uit deze studie worden voorgesteld.

M17.2 Klinische psychotherapie voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis Anno 2018: Enkele onderzoeksbevindingen
Benedicte Lowyck, professor, UPC KULeuven, Kortenberg
KLIPP is een behandelafdeling klinische psychotherapie van het UPC KU Leuven voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis. De behandeling vertrekt vanuit een psychodynamisch kader, en is multidisciplinair met zowel verbale als non-verbale therapieën. Eerder wetenschappelijk onderzoek ondersteunt de werkzaamheid van deze behandeling, ook op lange termijn (Vermote e.a., 2009; Lowyck e.a., 2015). In deze mededeling bespreken we recent onderzoek (N=150) naar mentalisatie (d.i. het vermogen om te denken over zichzelf en anderen in mentale termen zoals gevoelens, en intenties). Meer specifiek zoemen we in op recente onderzoeksgegevens die aantonen dat: (a) de capaciteit om te mentaliseren toeneemt tijdens de behandeling, en (b) deze toenemende capaciteit in mentalisatie beschouwd kan worden als één van de ‘mechanisms of change’ van de behandeling. Tenslotte staan we stil bij de klinische implicaties van dit onderzoek.

M17.3 Kort Oplossingsgerichte Therapie en Gestalttherapie: hoe diep is het water?
Wil Meeus, hoofddocent vakdidactiek gedragswetenschappen, Universiteit Antwerpen
Doel: In deze bijdrage worden overeenkomsten en verschillen nagegaan tussen kort oplossingsgerichte therapie en gestalttherapie. De vraag is of beide therapievormen verenigbaar zijn.
Methode: Twee standaardwerken (Perls, Hefferline, and Goodman 1951/1994, De Shazer and Dolan 2007) worden geanalyseerd. Zowel de uitgangspunten als de therapeutische technieken van beide therapievormen wordt vergeleken.
Resultaten: Op theoretisch niveau er zijn duidelijke verschillen. De twee vormen van psychotherapie lijken minstens gedeeltelijk onverenigbaar te zijn voor zover de therapeut zich strikt verbindt met de theoretische beginselen. Deze weerspiegelen voornamelijk verschillende opvattingen over de menselijke aard en het functioneren van de hersenen. Op meer pragmatisch niveau kunnen de therapeutische technieken aanvullend of zelfs vermengd worden gebruikt om verschillende doelstellingen na te streven. De therapeut kan gebruik maken van verschillende technieken afhankelijk van de behoeften van de cliënten in hun context.
Discussie: De postmoderne tendens tot eclecticisme lijkt te leiden tot een meer pluralistische psychotherapeutische praktijk. Maar terwijl de grote theorieën afbrokkelen, neemt de behoefte aan houvast toe. Welke instanties buiten de therapeut zelf kunnen die bieden?

Woensdag 19 september 2018 | 13u45-15u15
M18 Zorgberoepen
moderator: Kris Van den Broeck

M18.1 Een ondersteunende, preventieve tool voor eerstelijnshulpverleners
Inge Neyens, postdoc onderzoeker, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
Chantal Van Audenhove, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy LUCAS, KU Leuven
Om langdurige arbeidsongeschiktheid te voorkomen, is het o.a. van belang om mensen met psychische klachten in een vroeg stadium te ondersteunen. Hulpverleners uit de eerste lijn (vb. huisartsen) zijn vaak de eerste aanspreekfiguur voor deze mensen. Deze studie ontwikkelt daarom een tool die eerstelijnshulpverleners ondersteunt bij de preventie van langdurige arbeidsongeschiktheid. We ontwikkelden de tool op basis van de resultaten van een pilootstudie bij 323 Vlaamse huisartsen en zochten inspiratie in andere tools. We legden het ontwerp van de tool voor aan huisartsen, personen met psychische klachten, softwareproviders en multidisciplinaire partners tijdens interviews en expertenpanels. Tot slot organiseerden we een Delphistudie bij huisartsen om tot consensus te komen over de tool.
De tool biedt eerstelijnshulpverleners (1) ondersteuning in hun aanpak van mensen met psychische klachten bij het bespreken van werk, de zoektocht naar werk en het begeleiden van patiënten bij hun terugkeer naar de arbeidsmarkt en (2) informatie over o.a. het systeem van de toegelaten activiteit. Bovendien herinnert de tool eerstelijnshulpverleners eraan dat zij arbeidsongeschikte patiënten kunnen informeren over het recht om een arbeidsgeneesheer te bezoeken voorafgaand aan hun werkhervatting. Verder verschaft de tool eerstelijnshulpverleners informatie over de rollen en doelstellingen van VDAB, GTB, GOB en geeft het een overzicht van gecontacteerde instanties en hun coördinaten. De huisartsen en partners uit hun multidisciplinair netwerk van deze studie ondersteunen deze tool.

M18.2 Wat is de load aan psycho-sociale problemen in de huisartsenpraktijk in Vlaanderen?
Geert Pint, huisarts, Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde, KU Leuven
In dit onderzoek willen we het reële voorkomen van psychosociale problematiek binnen de Vlaamse huisartsenpraktijk achterhalen. Naast psychische, psychiatrische en sociale diagnoses, willen we ook een beeld krijgen van somatische aandoeningen met een psychosociale dimensie.
We maken hiervoor enerzijds gebruik van gegevens uit de Intego-databank: incidenties en prevalenties van diagnoses in huisartsenpraktijk.
Aanvullend willen we een inschatting maken van mogelijke ‘verborgen’ psychosociale problemen die tijdens een consultatie niet door de huisarts worden opgepikt. Aldus komen we tot een meer realistische inschatting van de reële load aan psycho-sociale problemen in de Vlaamse huisartsenpraktijken.

M18.3 De ergotherapeut in de GGZ van de toekomst: naar een nieuw beroepsprofiel
David Dol, netwerkcoördinator Reling
Sarah Proost, lector ergotherapie, AP Hogeschool Antwerpen
De geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen kent sinds de invoering van artikel 107 reeds heel wat wijzigingen. Ook de wet van 4 april 2017 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen noopt tot meer verduidelijking en afbakening van diverse beroepsgroepen werkzaam binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Deze verandering naar een vraaggestuurde, sterk gedifferentieerde zorg binnen de ggz verplicht de diverse hulpverleners tot verduidelijking en profilering van de eigen competenties.
De ergotherapie, van oudsher een discipline die cliëntgecentreerde en holistische zorg aanbiedt aan diverse doelgroepen, kan en moet deze generalistische zorg blijven aanreiken binnen de ggz. Echter, de onbekendheid en beperkte vertrouwdheid van ergotherapie door de zorgcollega’s maakt dat er een vertekend en soms zelfs foutief beeld bestaat van de ergotherapie.
De groep Vlaamse Ergotherapeuten en Geestelijke Gezondheid (VLEGG) is met ondersteuning van het Vlaams Ergotherapeutenverbond (VE) aan de slag gegaan om het beroepsprofiel ergotherapie (KB, 8 juli 1996) specifiek aan te passen voor collega’s werkzaam in de geestelijke gezondheidszorg.
We schetsen eerst kort de historiek van de ergotherapie binnen de ggz. Daarna verduidelijken we het beroepsprofiel ergotherapie in de ggz met behulp van het Systematisch Ergotherapeutisch Handelen. We sluiten af met enkele opportuniteiten voor de ergotherapie binnen de geestelijke gezondheidszorg van de toekomst.

M18.4 Methodieken voor socio-professionele re-integratie
Tessa Byn, arbeidscoach ggz/maatschappelijk werker, De MaRe, Kortrijk
De arbeidscoach ggz begeleidt cliënten intensief in een traject naar een daadwerkelijke en bestendige professionele (re-) integratie (trajectbegeleiding) en/of ondersteunt de cliënt in functie van werkbehoud (loopbaanbegeleiding). Hij/zij richt zich tot cliënten met een psychische kwetsbaarheid die stabiliteit verworven hebben op een aantal levensdomeinen (waaronder wonen) en de wens uiten naar betaalde arbeid. De arbeidscoach ggz werkt aanvullend op bestaande diensten uit ‘de sectoren ggz en werk’ en kan ook partners en eventueel werkgevers adviseren. Hij/zij is een zorgpartner met de focus op werk. De arbeidscoach ggz differentieert zich van reguliere begeleidingsdiensten door de intensiteit van de begeleiding die aangepast is aan de noden van de cliënt, de ggz-expertise en de continuïteit tussen traject- en loopbaanbegeleiding. Bovendien is hij/zij ook een aanspreekpunt tijdens de tewerkstelling voor alle actoren (voor de cliënt, de werkgever en de partners zorg en werk).
Specifiek heeft de arbeidscoach ggz vanuit zijn/haar expertise oog voor de psychische kwetsbaarheid van de cliënt en de impact hiervan op het functioneren op de werkvloer. Er wordt gewerkt vanuit de herstelvisie en met een oplossingsgerichte bril zodat cliënt voldoende handvatten krijgt aangereikt om zijn/haar loopbaan terug in handen te nemen.