20 en 21 september 2016
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Creatief in de geest, innovatief in de zorg

symposia

woensdag 21 september 2016
09u15-10u45
S18 Het tussenhuis: op de breuklijn tussen psychiatrie en maatschappij: mission impossible?
voorzitter Lucas Joos
 
S18.0 De therapeutische visie: over getrapte zorg, drempels en grenzen
inleiding Lucas Joos, psychiater, PC Bethanië, Zoersel

Dit symposium zoomt in op het Tussenhuis dat in maart 2014 werd opgericht door het PC Bethanië in Zoersel. Het tussenhuis bevindt zich letterlijk op de rand van het domein: de voordeur geeft uit op het dorpscentrum, de achtertuin grenst aan de tuin van het psychiatrisch ziekenhuis.
Doel ervan is het vermaatschappelijken van moeilijk resocialiseerbare patiënten met een ernstige psychiatrisch aandoening na een langdurig verblijf in het ziekenhuis. In internationale publicaties wordt die doelgroep omschreven als difficult to place-patients. De groep kenmerkt zich door een vaak extreem hoge subjectieve angst, non-compliance, beperkt ziekte-inzicht en storend gedrag.
Uitgangspunten zijn de extreme laagdrempeligheid, het mogen falen en proberen. Ofschoon een vaak erg langdurige ziekenhuisopname ogenschijnlijk het enige alternatief lijkt, pogen we via continuïteit van zorg, verstrekt door de hen vertrouwde hulpverleners, deze mission impossible toch tot een goed einde te brengen.
De verschillende bijdragen pogen verslag uit te brengen van de werking van het tussenhuis.
In een eerste bijdrage wordt stilgestaan bij de moeilijkheden en uitdagingen die gepaard gaan met de actuele residentiele zorg voor EPA–patiënten, het belang van continuïteit van zorg en de procesmatige groei van een zorgnetwerk.
In een tweede bijdrage wordt gepoogd de werking vanuit het patiëntenperspectief te belichten.
In de laatste bijdrage worden concrete ervaringen uit de praktijk gebundeld.
 
S18.1 De therapeutische visie: over getrapte zorg, drempels en grenzen
Isabelle Voorspoels, psychologe, PC Bethanië, Zoersel

Binnen de langdurige zorg van het PC Bethanië botsen we meer en meer op grenzen, drempels en maatschappelijke verwachtingen. Hoewel de psychose een chronische aandoening is, kan of mag de zorg zelf schijnbaar niet meer chronisch zijn. Toch lijken er treden te ontbreken binnen ons getrapte zorgsysteem, waardoor een erg langdurige ziekenhuisopname schijnbaar de enige mogelijkheid blijft.
Via het housing firstprincipe en de onvoorwaardelijke continuïteit van zorg wordt gepoogd toch te realiseren wat door die grenzen en drempels – zowel binnen de maatschappij, de patiënt en het zorgsysteem - wordt gehypothekeerd.
Het tussenhuis poogt daarop een antwoord te bieden. Het evidente samengaan van de organisatie van de zorg en het blijvend therapeutische denken kenmerkt de visie op de werking van het tussenhuis. In deze bijdrage wordt die visie verder toegelicht door de psychologe.
 
S18.2 Het patiëntenperspectief, tussen binnen en buiten
Geert Piedfort, begeleider, PC Bethanië, Zoersel

Hoe kan voor een groep patiënten uit de langdurige zorg het tussenhuis letterlijk een doorgang betekenen, een stapje verder weg van het ziekenhuis richting maatschappij? Een plaats om de eigen mogelijkheden te (her)ontdekken, om te bewijzen dat het kan, maar evenzeer om te botsen. In elk geval met de blik op de wereld buiten het psychiatrisch ziekenhuis.
 
S18.3 Ervaringen uit de praktijk, over de zoektocht naar het signaal tussen de ruis
Lieve Eysermans, ergotherapeute, PC Bethanië, Zoersel

Over storingen en de zoektocht naar het signaal tussen de ruis. Indien mogelijk met de medewerking van een (ex-)bewoner van het tussenhuis.

09u15-10u45
S19 Ervaring en deskundigheid in suïcidepreventie
voorzitter Eva Dumon
 
S19.0 Het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie en de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn voor de detectie en behandeling van suïcidaal gedrag
Eva Dumon, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP), Gent

In Vlaanderen overlijden gemiddeld drie personen per dag door suïcide (Agentschap Zorg en Gezondheid, 2013). Daarnaast tellen we in Vlaanderen naar schatting 28 suïcidepogingen per dag (Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, 2014), en geeft 13% van de Vlaamse bevolking van 15 jaar en ouder aan ooit suïcide te hebben overwogen (Gezondheidsenquête, 2013).
Om de hoge suïcidecijfers in Vlaanderen terug te dringen, werd door de Vlaamse Overheid enkele jaren terug het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie gelanceerd. Deskundigheidsbevordering is één van de belangrijkste strategieën in dit plan. Deze strategie omvat diverse acties om de kennis, attitudes en vaardigheden m.b.t. suïcidepreventie van tal van intermediairen te bevorderen. In dit symposium staan we stil bij enkele van deze acties.
 
S19.1 Suïcidepreventie in de land- en tuinbouw
Nike Baeten, suïcidepreventiewerker, Suïcidepreventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (CGG-SP), Gent

Land- en tuinbouw is een slagader in het socio-economische netwerk van West-Vlaanderen. Gezien de opeenvolgende crisissen, de zichtbare geestelijke gezondheidsnood en het onrustwekkende aantal zelfdodingen bij de doelgroep werden, op initiatief van de suïcidepreventiewerking van de cgg, de krachten gebundeld om deze sector te ondersteunen. Door samen te werken met de partners van de geestelijke gezondheidszorg, Howest en de plattelandsorganisaties, werd bestaande en nieuwe kennis met elkaar gedeeld zodat bestaande oplossingen beter bij de doelgroep geraken. Daarnaast werden nieuwe initiatieven ontwikkeld binnen een pilootproject. We lichten deze initiatieven toe en staan stil bij de specifieke noden en uitdagingen bij deze doelgroep.
 
S19.2 Suïcidepreventie op de werkvloer
Michaël Bloemen, stafmedewerker, Centrum ter Preventie van Zelfdoding

In gedeelde samenwerking tussen de Suïcidepreventiewerking van de cgg, het Centrum ter Preventie van Zelfdoding en Werkgroep Verder werd een aanbod rond suïcidepreventie op de werkvloer uitgewerkt. Het aanbod bestaat uit training in suïcidepreventie en coaching bij het opmaken van een beleid en richt zich op alle organisaties die suïcidaliteit bij hun personeel willen voorkomen. De Suïcidepreventiewerking van de centra geestelijke gezondheidszorg (CGG-SP) licht dit aanbod kort toe en geeft aan hoe een organisatie een degelijk suïcidepreventiebeleid kan opmaken, en in welke mate de CGG-SP hierbij ondersteuning kan bieden.
 
S19.3 ‘Vrijwilligen’ met en voor nabestaanden na zelfdoding
Livia Anquinet, arts, coördinator, Werkgroep Verder, Halle

Werkgroep Verder is een organisatie die werkt voor en met nabestaanden na zelfdoding in Vlaanderen. Haar kerntaken realiseert zij samen met tal van vrijwilligers, vaak nabestaanden-ervaringsdeskundigen. Nabestaanden spelen een cruciale rol in de werking en dit op verschillende niveaus. Zo maken zij deel uit van de stuurgroep en worden ze ad hoc ingezet voor diverse projecten zoals lotgenotencontact.
Sinds 2015 biedt Werkgroep Verder actief vrijwilligerswerk aan, gebaseerd op het model van het ‘ingebed vrijwilligerswerk’. Dit houdt in dat het vrijwilligerswerk georganiseerd en aangestuurd wordt door de vaste beroepskrachten. De vrijwilligers zijn echter van onschatbare waarde omdat zij taken vervullen die niet door deze beroepskrachten kunnen vervuld worden. Daarenboven leveren nabestaanden als ervaringsdeskundigen input ter verbetering of uitbreiding van het aanbod van Werkgroep Verder. Daarnaast kunnen de vrijwilligers op hun beurt terugvallen op de professionele ondersteuning van het Werkgroep Verder-team in de vorm van deskundigheidsbevordering en intervisie.
De bijdrage geeft een inkijk één jaar na de opstart van het vrijwilligersbeleid van Werkgroep Verder.
 
S19.4 Zorgen voor suïcidepogers en hun omgeving
Peter Beks, coördinator, Zorg voor Suïcidepogers, Lommel

Personen die een suïcidepoging ondernomen hebben, worden vaak op de spoedgevallendiensten van onze ziekenhuizen opgevangen. Hier wordt een risico-inschatting gedaan en worden ze verwezen naar de gepaste zorg. We merken echter dat deze suïcidepogers regelmatig niet in de volgende schakel van de zorg terechtkomen. De redenen hiervoor zijn veelvuldig: minimalisatie van de poging,  negatieve ervaring met hulpverlening, geringe therapietrouw, zorgweigering, …
In deze bijdrage lichten we de acties en materialen toe van Zorg voor suïcidepogers, een organisatie met terreinwerking in het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie. De organisatie heeft als opdracht goede praktijken te promoten in de zorg voor suïcidepogers. Dit doet zij in samenwerking met de Suïcidepreventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg. Detectie, opvang en zorgcontinuïteit zijn cruciaal in de preventie van herhaalde suïcidepopgingen en suïcides in deze doelgroep.  In Vlaanderen zijn er al in vele regio’s acties opgezet. Met de partners in de regio’s worden zorgpaden ontwikkeld waarbinnen het IPEO als hulpmiddel voor evaluatie en opvang, geïntegreerd wordt. Daarnaast werden er folders ontwikkeld zowel voor de volwassen suïcidepoger als voor zijn omgeving. Recent werden er nieuwe materialen toegevoegd om ouders te ondersteunen in de opvang van hun kinderen na een suïcidepoging van één van de ouders of naaste personen.
 
09u15-10u45
S20 Anders communiceren over psychische stoornissen
voorzitter Emmanuël Nelis

Welke perspectieven (frames) zijn er gangbaar om over mensen met psychische problemen te communiceren, en welke denkkaders of counterframes kunnen daartegenover worden geplaatst? De Fondsen Julie Renson en Koningin Fabiola, beheerd door de Koning Boudewijnstichting, investeren in onderzoek dat moet toelaten om in te grijpen in de beeldvorming over personen met een psychische kwetsbaarheid of psychiatrische aandoening. Het onderzoeksteam van het Instituut Mediastudies van de KU Leuven presenteert de resultaten van het lopende onderzoek. Op basis van een systematische inhoudelijke analyse van mediaboodschappen (kranten, tijdschriften, romans, speelfilms, ...) onderscheiden de onderzoekers vijf frames die psychische aandoeningen problematiseren en die mogelijk bijdragen aan het stigmatiseren van de directe betrokkenen. Daarnaast stellen zij zeven alternatieven voor: counterframes die psychische aandoeningen kunnen helpen 'ont-problematiseren'.
In een volgende bijdrage presenteren de onderzoekers de resultaten van een interviewstudie waarin veertig personen die op professioneel vlak met personen met psychische problemen te maken hebben aangeven hoe zij in de dagelijkse praktijk over personen met psychische problemen communiceren. Ten slotte zijn er de resultaten van een experimenteel onderzoek waarbij een representatieve steekproef van 1000 Belgen een aantal counterframes zijn voorgelegd om de effectiviteit ervan na te gaan. Het onderzoeksproject wenst concrete tools aan te reiken hoe de communicatie over personen met psychische aandoeningen genuanceerder en minder stigmatiserend voor de directe betrokkenen kan worden aangepakt.

S20.0 Inleiding
Emmanuël Nelis, kinder- en jeugdpsychiater, voorzitter Fonds Julie Renson, AZ Sint-Lucas Brugge

Op geestelijke gezondheidsproblemen rust een groot maatschappelijk stigma, getuige hiervan de vele negatieve associaties met geweld, criminaliteit, zelfmoord…. Dit terwijl een steeds groter deel van de bevolking geconfronteerd wordt met psychische problemen. Een volwaardige participatie in de samenleving is voor heel wat personen met psychische problemen nog niet vanzelfsprekend; de negatieve mediaberichtgeving maakt het stigma en daaruit volgend sociaal isolement, sterker.  Het communiceren rond psychische aandoeningen én de betrokken personen kan dus beter. Daarvoor hebben het Fonds Julie Renson, het Koningin Fabiolafonds en de KBS een onderzoek gelanceerd om de dominante denkkaders of frames hierrond in kaart te brengen, en naar alternatieve frames te zoeken.
Op dit symposium zullen de partners de resultaten van dit onderzoek toelichten, met als uiteindelijke doelstelling bij te dragen tot een andere, meer genuanceerde, communicatie over psychische stoornissen.
 
S20.1 Het gebruik van frames en counterframes over mensen met psychische aandoeningen in de Belgische media
Baldwin Van Gorp, dr., professor, Instituut voor Mediastudies, KU Leuven

Uit de recentste gezondheidsenquête (Van Der Heyden & Charafeddine, 2014) blijkt dat 32% van de Belgen van 15 jaar en ouder aangeeft psychische problemen te hebben, wat zich onder meer uit in een slaaptekort door zorgen, het gevoel van voortdurend onder stress te staan en zich depressief voelen. Het uitgangspunt van deze bijdrage is dat het stigma, de vooroordelen en het taboe op psychische aandoeningen verregaande gevolgen hebben, en verwerking, genezing, en aanvaarding in de weg staan. Er wordt toegelicht hoe vertrekkende vanuit de problematiserende frames over psyschische aandoeningen onderzocht is welke alternatieve frames er mogelijk zijn, en de mate waarin deze in de gezondheidszorg gebruikt worden. Ieder frame staat voor een mentaal denkkader, of een perspectief van waaruit er naar psychische aandoeningen gekeken kan worden. In deze inleidende bijdrage wordt er bondig uitgelegd wat een frame en een counterframe is, en hoe het gebruik ervan stigmaversterkend kunnen werken, of integendeel het stigma en het zelfstigma van personen met psychische stoornissen kunnen helpen verminderen.
Van Der Heyden, J. & Charafeddine, R. (eds.) (2014). Gezondheidsenquete 2013. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

S20.2 Communiceren over personen met psychische aandoeningen door professionals in de geestelijke gezondheidssector in België: een interviewstudie
Vergauwen Jona, wetenschappelijk medewerker, Instituut voor Mediastudies, KU Leuven

In deze bijdrage brengen we een overzicht  van de problematiserende en potentieel stigmaversterkende frames die in de gezondheidszorg gangbaar zijn. Aan de hand van interviews met psychiaters, psychologen, therapeuten en verplegend personeel werd systematisch nagegaan welke denkbeelden er over mensen met psychische aandoeningen in de gezondheidszorg bestaan. Dit gebeurde enerzijds door na te gaan hoe zijzelf over mensen met psychische aandoeningen spreken en anderzijds door hen de denkbeelden die courant door de media gebruikt worden te laten beoordelen. Door hun professionele contact met personen met psychische stoornissen is de basishypothese dat zij een meer gevarieerde waaier aan frames en counterframes hanteren dan deze die courant in de media naar voor komen. Er zijn twee stigmaversterkende frames die daarbij bijzondere aandacht krijgen. Ten eerste is er het frame ‘zelfcontrole’ dat ervan uitgaat dat een psychische aandoening (bijv. een verslaving, automutilatie, anorexia) het gevolg is van een 'zwak karakter', waarbij de oplossing eenvoudig lijkt te zijn: hou je zelf onder controle (rook niet, snij je zelf niet, eet). Ten tweede is er het frame ‘Abnormaal’, waarbij een psychische aandoening gezien wordt als een abnormaliteit, een afwijking van een norm, en waarbij de enige oplossing blijkt te zijn mensen met psychische aandoeningen buiten de samenleving te plaatsen. Aansluitend hierbij zijn er de ideeën dat psychische aandoeningen ‘ingebeeld’ zijn en het gedrag van personen met psychische problemen te bestempelen zijn als ‘aanstellerij’.
 
S20.3 Het toepassen van stigmaverlagende counterframes in de geestelijke gezondheidszorg
Bart Vyncke, phd-student, Instituut voor Mediastudies, KU Leuven

In deze bijdrage bespreken we een aantal communicatieadviezen over hoe counterframes die stigmaverlagend kunnen werken voor mensen met psychische aandoeningen in de courante communicatie van zorgverleners te integreren. Ieder van de besproken counterframes heeft tot doel een deproblematiserende definiëring van psychische problemen naar voor te brengen. Deze counterframes zijn via workshops en focusgroepen ontwikkeld en afgetoetst bij stakeholders en ervaringsdeskundigen. Een frame dat bijzondere aandacht krijgt is ten eerste het frame ‘De kanarie in de mijn’. Deze metafoor wordt gebruikt om aan te geven dat het maatschappelijke structuren zijn die personen met psychische personen parten spelen, en dat zij als ‘early warning system’ gelden. Een tweede counterframe houdt verband met het copingmechanisme om een ziektebeeld te externaliseren, de aandoening tegelijkertijd ook te aanvaarden en waarbij het vooral zaak is ermee te leren omgaan. Professionele zorgverleners kunnen dat proces mee helpen faciliteren. Er zal ook worden stilgestaan bij het counterframe waarbij een psychische aandoening niet als een ‘falende wil’ bestempeld wordt maar als een reële ziekte of als een verstoord evenwicht in de hersenen. Belangrijk daarbij is dat in dit geval de persoon in kwestie van een persoonlijke verantwoordelijkheid (agency) ontslagen wordt en de oplossing bij de geneeskunde of ‘pillen’ komt te liggen.
 
S20.4 Paneldiscussie
Baldwin van Gorp, professor, Instituut Mediastudies, KULeuven
Nathalie Albert, ervaringsdeskundige, Alexianen Zorggroep Tienen
Sara Vandekerckhove, journaliste, De Morgen

Discussie over de in de drie bijdragen gepresenteerde onderzoeksresultaten en het communicatieadvies. Hoe problematisch is de beeldvorming over psychische aandoeningen binnen de gezondheidssector? Is die stigmaversterkend? Leven we in een gepsychologiseerde samenleving, waar normaal gedrag al snel als abnormaal wordt bestempeld? Hoe zou het communicatieadvies in de praktijk kunnen worden gebracht? Is er een rol weggelegd voor het onderwijs en de opleiding van zorgverstrekkers? Welke frames en counterframes hebben de voorkeur? in welke mate rust er ook een verantwoordelijkheid op de schouders van de personen met psychische aandoeningen zelf? De onderzoekers, aangevuld met panelleden uit de sector buigen zich over deze en andere vragen, met een inbreng van het aanwezige publiek.

09u15-10u45
S22 Euthanasie bij psychisch lijden: innoverend of de geest uit de fles?
voorzitter Marc Calmeyn
 
S22.0 Inleiding
Marc Calmeyn, psychiater, psychoanalyticus, PZ OLV Brugge en privépraktijk Lelieveld Loppem Zedelgem

Van bij de aanvang van de euthanasiewet is er van uitgegaan dat ze ook voor psychiatrische stoornissen geldt. Immers, dit zijn toch ook ziekten’?
Daarenboven, het lijden kan toch op zijn minst even erg zijn als dit bij somatische aandoeningen? Zelfs meer, is dan niet in lijn met de autonomie van de patiënt om, als die er om vraagt, een einde aan zijn of haar leven te stellen?
Dergelijke opvattingen verwijzen naar een aantal vooronderstellingen. Somatische en lichamelijke ziekten worden principieel gelijkgeschakeld. ‘Geestesziekten zijn hersenziekten’ stelde Wilhelm Griesinger al in de negentiende eeuw. Psychopathologie echter is de ‘via regia’ naar de vaststelling dat lichaam én geest een twee-eenheid zijn. Daardoor is er gelijkenis met én verschil tussen somatische en psychiatrische pathologie.    
De sprekers van dit symposium willen stellingen aanreiken om vervolgens in ‘samenspraak en tegenspraak’ met het publiek te gaan. Dit symposium wil op een genuanceerde en grondige wijze argumenten aanreiken die het euthanasiedebat bij psychisch lijden kan inspireren én uitklaren. Immers, de inzet is hoog: het is een kwestie van leven of dood.
 
S22.1 Mentale ziekte: een eigen logica?
Ariane Bazan, professor, hoogleraar klinische psychologie, Université Libre de Bruxelles (ULB)

Strikt mentale ziektes volgen andere logische principes dan de klassieke medische aandoeningen. Ze zijn niet het gevolg van organische laesies of van degeneratieve weefselprocessen, maar kunnen gepaard gaan met functionele veranderingen die zichtbaar zijn op breinbeelden. Deze dynamische verschillen zijn, per definitie, veranderlijk, en bijgevolg omkeerbaar. Van een mentale ziekte kan daarom nooit de uitzichtloosheid geobjectiveerd worden.  Bovendien toont onderzoek dat voor de behandeling van mentale ziektes, in contrast met die van somatische aandoeningen, niet de specifieke methode maar wel de therapeutische alliantie doorslaggevend is. Tenslotte zullen bij mentale problemen het verzet en het saboteren van de therapie wezenlijk deel uitmaken van de therapie – iets wat ondenkbaar is bij een medische behandeling. Om deze redenen kan men bij strikt mentale problemen respectievelijk nooit spreken van “uitbehandelde” patiënten noch van “therapie-resistentie”. Met andere woorden, de twee basiscriteria voor euthanasie, die gehanteerd worden bij somatische aandoeningen, met name uitzichtloosheid en uitbehandeling, hebben geen grond van bestaan bij strikt mentale problemen; euthanasie bij strikt mentale problemen is dan ook niet gerechtvaardigd.
 
S22.2 Waarom de bestaande wetgeving niet geschikt is om over te gaan tot euthanasie bij psychiatrische aandoeningen
Stephan Claes, hoogleraar psychiatrie, diensthoofd volwassenenpsychiatrie, UPC KU Leuven

De huidige wetgeving rond euthanasie laat toe om levensbeëindiging toe te passen bij niet-terminale patiënten, ook met uitsluitend of primair een psychiatrische problematiek. Het aantal aanvragen en uitvoeringen van euthanasie om psychiatrische redenen is in stijgende lijn.
Toch stellen zich in de psychiatrische context een aantal bijzondere problemen met de interpretatie van de wetgeving. Zo stelt de wetgever dat de aanvrager moeten lijden aan een “ongeneeslijke aandoening”. Uit een recente publicatie blijkt dat vooral depressie en borderline persoonlijkheidsstoornis worden aangegeven als aandoeningen die aanleiding gaven tot de goedkeuring van de euthanasie-aanvraag. Geen van beide ziektebeelden kan als ongeneeslijk worden beschouwd. Verder moet de patiënt zich bevinden in een toestand van aanhoudend en ondraaglijk lijden. In aandoeningen die net gekenmerkt worden door emotionele instabiliteit, is dit criterium bijzonder moeilijk te beoordelen. Tenslotte blijkt uit de praktijk dat een zeer significant aandeel  van de patiënten die een euthanasievraag indient omwille van psychisch lijden, zich bedenkt tijdens de aanvraagprocedure, of in de periode tussen goedkeuring en uitvoering, en dat deze personen het een tijd later relatief goed lijken te stellen. Dit roept de vraag op aan hoeveel mensen die euthanasie kregen toegediend de kans ontnomen werd om een nieuw psychisch evenwicht te vinden.
Om deze redenen zijn we van mening dat de bestaande wetgeving onvoldoende houvast biedt om goedkeuring te verlenen aan een euthanasie-aanvraag vanuit psychisch lijden alleen.
 
S22.3 Psychisch lijden bij euthanasie: en het verschil is …
Marc Calmeyn, psychiater, psychoanalyticus, PZ OLV Brugge / privépraktijk Lelieveld Loppem Zedelgem

In een poging om reductionistische standpunten te vermijden – zowel biologische als psychologische – is het uitgangspunt van deze bijdrage duidelijk: psychopathologie is een zaak van lichaam én geest. Juist in deze ‘pontifex oppositorum’ die de mens is, ligt de gelijkenis én het verschil met somatische aandoeningen. Bijgevolg dient dit ook in rekening gebracht te worden bij het debat over euthanasie bij psychisch lijden.
Een poging tot verheldering in dit debat kan vanuit volgende twee overwegingen ondernomen worden.
Ten eerste, het antropologische verschil. De mens is biologie maar overtreft zichzelf hierin. Psychopathologie overstijgt het lichaam-geest dualisme van Descartes en vraagt daardoor een andere benadering, ook in de aanvraag tot euthanasie.
Ten tweede, de inspiratie van de antropopsychiatrie. Dit theoretisch werkveld met belangrijke consequenties voor de praktijk omlijnt psychopathologie die typisch menselijk is. Freud verwoordde het al spits en raak: "de neurose is het voorrecht van de mens". Dit in onderscheid met pathologie die bij mens én dier kan voorkomen. Deze eigenheid van psychopathologie vraagt daardoor een andere benadering, ook in het euthanasiedebat.
Twee standpunten die het euthanasiedebat kunnen helpen ‘verlichten’.

11u15-12u45
S23 Naar multidisciplinaire op sterkte gebaseerde strategieën voor wetsovertreders met een psychiatrische problematiek: de doelgroep centraal
voorzitter Freya Vander Laenen
 
S23.0 De doelgroep centraal
Freya Vander Laenen, professor, dr., hoofddocent criminologie, UGent

Vanaf het begin van de jaren '90 waren professionelen uit de justitiële sector vooral geïnteresseerd in het effect van (justitiële) interventies op het stoppen met criminaliteit. Op basis van de kenmerken van effectieve interventies kwam een grotendeels risicogerichte benadering tot stand. Vanaf de eeuwwisseling neemt de aandacht toe voor beschermende factoren en het welzijn en de behandelingsnoden van de betrokkenen zelf. Recente internationale ontwikkelingen op het gebied van de forensische geestelijke gezondheidszorg wijzen immers op de potentie van deze sterktegerichte benaderingen voor de ondersteuning van daders met een psychiatrische problematiek.
 
S23.1 De juridische positie van wetsovertreders met een psychische stoornis. De implementatie van een internationaal en Europees raamwerk in België
Els Schipaanboord, jurist, dra., phd-student, UGent

De juridische positie van wetsovertreders met een psychische stoornis wordt beheerst door zowel het strafrecht als het gezondheidsrecht. Deze groep ziet zich immers enerzijds geconfronteerd met de toepassing van het strafrecht vanwege het gepleegde strafbare feit, anderzijds valt deze populatie onder de reikwijdte van het gezondheidsrecht daar, en voor zover, zij lijdend is aan een psychische stoornis.
Deze congresbijdrage valt op te delen in twee luiken. Allereerst zal een uiteenzetting plaatsvinden van een juridisch raamwerk dat de internationale en Europese standaarden op het gebied van het strafrecht en gezondheidsrecht vertegenwoordigt (Schipaanboord, 2016). Door het samennemen van deze beide rechtstakken in het ontwikkelde raamwerk wordt een sterktegerichte bejegening van deze groep in het strafrecht voorgestaan. Vervolgens wordt de implementatie van dit raamwerk op nationaal niveau in België besproken. Het raamwerk zal besproken worden aan de hand van een aantal categorieën. Op basis van deze categorieën wordt een nadere analyse gegeven van het vigerend beleid in België inzake de bejegening van deze groep. De aandachtsvelden die uit deze analyse voorvloeien zullen via voorbeelden worden geconceptualiseerd.
Schipaanboord, A.E. (2016). Een juridisch kader voor wetsovertreders met een psychische stoornis. In: Vander Beken, T., Broekaert, E., Audenaert, K., Vander Laenen, F., Vanderplasschen, W. & Vandevelde, S. (eds.), Sterktes van mensen. Sterktegerichte strategieën voor het ondersteunen van mensen met een psychiatrische problematiek die strafbare feiten pleegden, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu, 75-93
 
S23.2 De ervaring van procedurele rechtvaardigheid door geïnterneerden
Ciska Wittouck, psycholoog, criminoloog, dra., phdstudent, UGent

Mensen die geïnterneerd worden zijn personen met een psychiatrische problematiek die in contact komen met politionele en justitiële autoriteiten omwille van het plegen van feiten, via de interneringsmaatregel worden ze onderworpen worden aan een behandeling onder dwang. Het begrip ‘procedurele rechtvaardigheid’ (Lind, E.A., & Tyler, R.T., 1988) wijst op het belang dat mensen hechten aan interpersoonlijke aspecten (bv. een respectvolle bejegening en gehoord worden) tijdens een sociale interactie (bv. interacties met politie, justitie en hulpverlening) en de invloed die dit heeft op hun reactie op deze interactie. Internationale onderzoeksbevindingen suggereren dat procedurele rechtvaardigheid kan beschouwd worden als een mechanisme dat veranderingsprocessen, zoals recovery en desistance, bevordert via onderliggende psychologische mechanismen, zoals sociale identiteit en legitimiteit, en therapeutische procesvariabelen, zoals de therapeutische relatie en gepercipieerde dwang (Wittouck, C. e.a., 2016). In dit onderzoek werden diepte-interviews omtrent procedurele rechtvaardigheid afgenomen van mensen die geïnterneerd werden. Tijdens de presentatie zullen de resultaten van deze interviews en de implicaties voor praktijk en beleid worden toegelicht.
Lind, E.A., & Tyler, R.T. (1988). The social psychology of procedural justice. New York: Plenum Press
Wittouck, C., Vander Laenen, F., & Audenaert, K. (2016). “Authority meets mentally ill”: Het belang van procedurele rechtvaardigheid. In: Vander Beken, T., Broekaert, E.,  Audenaert, K., Vander Laenen, F., Vanderplasschen, W. & Vandevelde, S. (eds.), Sterktes van mensen. Sterktegerichte strategieën voor het ondersteunen van mensen met een psychiatrische problematiek die strafbare feiten pleegden. Antwerpen-Apeldoorn: Maklu, 95-121
 
S23.3 Desistance bij geïnterneerden
Sofie Van Roeyen, criminoloog, dra., phdstudent, UGent

Traditioneel focust criminologisch onderzoek op processen die leiden tot criminaliteit en interventieprogramma's die als doel hebben criminaliteit en recidive te verminderen. Sinds de jaren 1980 groeit de interesse in desistance van criminaliteit. Desistance is het gradueel proces dat resulteert in het stoppen met plegen van criminaliteit. Dit stopproces is een interactie tussen sociale factoren en agency factoren. Eerder onderzoek heeft zich hoofdzakelijk gefocust op desistance in de algemene daderpopulatie. Wetsovertreders met een psychiatrische problematiek zijn als specifieke groep tot op heden niet benaderd vanuit desistance onderzoek. Toch is het aannemelijk dat hun desistance proces anders verloopt dan in de algemene daderpopulatie. Het doel van het onderzoek is om factoren te identificeren die van belang zijn voor wetsovertreders met een psychiatrische problematiek in hun stopproces. Dit onderzoek is sterktegericht en focust op 'persoonlijke desistance', wat een uitbreiding is van persoonlijke recovery, met ruimte voor positieve ervaringen en capaciteiten van de respondenten. Dit onderzoek betreft een belevingsonderzoek dat wetsovertreders met een psychiatrische problematiek centraal stelt (Van Roeyen, S. e. a., 2016). Daartoe werden verkennende focusgroepen en diepte-interviews uitgevoerd met geïnterneerden.  Tijdens de presentatie lichten we de resultaten van deze interviews en de implicaties voor praktijk en beleid toe.
Van Roeyen, S., Van Audenhove, S., Vanderplasschen, W. & Vander Laenen, F. (2016). Het desistance proces van wetsovertreders met een psychiatrische problematiek. In: Vander Beken, T., Broekaert, E.,  Audenaert, K., Vander Laenen, F., Vanderplasschen, W. & Vandevelde, S. (eds.), Sterktes van mensen. Sterktegerichte strategieën voor het ondersteunen van mensen met een psychiatrische problematiek die strafbare feiten pleegden. Antwerpen-Apeldoorn: Maklu, 123-147
 
S23.4 De noden en krachten van familieleden van geïnterneerden
Sara Rowaert, orthopedagoog, dra., phdstudent, UGent

Wetenschappelijk onderzoek naar het perspectief van familieleden van geïnterneerden is tot op vandaag erg beperkt. Hoewel deze familieleden vaak geconfronteerd worden met ingrijpende emoties, zoals schuld, schaamte, verdriet en machteloosheid, krijgen zij hiervoor niet steeds erkenning of ondersteuning. In literatuur is er daarnaast tot nu toe slechts weinig aandacht besteed aan de krachten van familieleden en hoe deze naast hun noden en behoeften kunnen bestaan (Rowaert, S. e.a., 2016). Om aan deze tekorten tegemoet te komen, is een kwalitatieve studie uitgevoerd naar de persoonlijke verhalen en ervaringen van familieleden (n= 26) van geïnterneerden. Volgende vragen stonden hierbij centraal: wat betekent internering voor familieleden van geïnterneerden, welke invloed heeft dit op hun leven en welke krachten ervaart men hierbij. Er werd ook aandacht besteed aan de toekomstperspectieven van deze familieleden en hun naasten. De getranscribeerde interviews werden thematisch geanalyseerd door middel van het kwalitatief onderzoeksprogramma Nvivo10.
Tijdens de presentatie lichten we de resultaten toe, met aandacht voor implicaties van de bevindingen voor praktijk en beleid.
Rowaert, S., Vandevelde, S., Lemmens, G., Vanderplasschen, W., Vander Beken, T., Vander Laenen, F., & Audenaert, K. (2016). The role and experiences of family members during the rehabilitation of mentally ill offenders. International journal of Rehabilitation Research, 169-186
 
11u15-12u45
S24 De meerwaarde van hypnose in pychotherapie
voorzitter Nicole Ruysschaert

S24.0 Inleiding
Nicole Ruysschaert, psychiater, psychotherapeut, hypnotherapeut, opleider VHYP, vice-voorzitter, VHYP, Berchem

De vraag naar hypnosebehandeling voor diverse psychologische probleemgebieden en functionele klachten neemt toe. De research in bewustzijn, bewustzijnsstoestanden en cognitieve processen brengt een extra belangstelling voor hypnose als veranderde bewustzijnstoestand op gang. Mogelijkheden van beeldvorming geven steeds meer evidentie voor processen die in hypnose geactiveerd worden. Klinische studies tonen meerwaarde en werkzaamheid van hypnose bij oa. prikkelbare darmsyndroom, acute en chronische pijnproblematiek, conversiestoornissen. VHYP – de Vlaamse Wetenschappelijke Hypnose Vereniging – ziet het werk met/in hypnose als een meerwaarde in het therapeutisch aanbod door degelijk opgeleide psychotherapeuten met erkende basisopleiding om te werken in het psychotherapeutisch landschap.
 
S24.1 Hypnose een concert voor vier hemisferen
Nicole Ruysschaert, psychiater, psychotherapeut, hypnotherapeut, opleider VHYP, vice-voorzitter, VHYP, Berchem

Achtergrond: Hoewel de vraag van cliënten naar behandeling met hypnose toeneemt, botsen we binnen de medische wereld en de hulpverlening nog vaak op misvattingen rond wetenschappelijke of medische hypnose.
Methode: U krijgt een overzicht van enkele research bevindingen rond de ‘toestand van hypnose’. We staan stil bij de specifieke therapeutische interactie in hypnose waarbij de cliënt als partner in het proces wordt betrokken in een zoekproces naar innerlijke hulpbronnen, creatieve oplossingen en reframing van ervaringen. In hypnose kan een ecologische verandering in het veld van autonomie, hechting, oriëntatie en competentie bereikt worden. Zelfhypnose leidt tot empowerment van cliënten, waarbij ze progressief meer autonomie en controle verwerven.
Ter illustratie geven we ook enkele klinische toepassingen van hypnose.
 
S24.2 Het gebruik van hypnotische technieken voor de psychofysiologische stabilisatie van zwaargewonden
Erik De Soir, doctor in de psychologie, doctor in de sociale en militaire wetenschappen, psychotherapeut, hypnotherapeut, opleider / bestuurslid, VHYP, manager Human Factors & Medicine, zelfstandige praktijk Lommel, Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie - Departement Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek bij Defensie

Achtergrond: Sedert een tiental jaren voeren onderzoekers in samenwerking met brandweer- en urgentiediensten onderzoek naar de mogelijkheden voor terreinopvang van zwaargewonde (geknelde) slachtoffers van verkeersongevallen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat acute stabilisatie de kans op de ontwikkeling van psychische restletsels (zoals PTSS) kan beperken.
Methode: De methode van ‘advanced psychophysiological support’ of ‘ResQTalk’ is gebaseerd op het gebruik van hypnotische technieken voor begeleiding bij het ademen, beïnvloeding van de pijnperceptie, bescherming tegen pijnlijke visuele indrukken, verhoging van controle tijdens de reddingswerkzaamheden en vooral het voorkomen van rechtstreeks ervaren levensbedreiging. Kritieke gewonde slachtoffers worden hierbij in een venster van adaptieve activatie gehouden tot bij hun aankomst op de spoedgevallendienst. De aanbevelingen inzake acute stabilisatie en opvang van zwaargewonden zijn o.m. gebaseerd op de traumatheorie van Peter Levine (Waking the Tiger) en recente wetenschappelijke inzichten inzake de invloed van hyperarousal en dissociatief gedrag bij acute levensbedreiging.
Doelstelling: We presenteren de inzichten verkregen uit kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar de effecten en de mogelijkheden/beperkingen van acute stabilisatie, met als doel het gebruik van hypnotische technieken voor acute crisisopvang in (para)medische settings verder uit te breiden.
psychotherapeut (www.dewegwijzer.org), brandweerpsycholoog (Hulpverleningszone Noord-Limburg)
 
S24.3 Casus: hypnose bij een ambulante cliënt met depressie en burn-out
Moira Pirkl, klinisch psycholoog, psychotherapeut, hypnotherapeut, zelfstandig psycholoog-psychotherapeut, Psychologisch Begeleidingscentrum, Hasselt

Achtergrond: Depressie en burn-out zijn veel voorkomende aanmeldingsklachten in de ambulante praktijk van de zelfstandige klinische psycholoog.
Methode: In de casuïstiek wordt de therapeutische toepassing van hypnose bij deze symptomatiek stapsgewijs toegelicht en aan de hand van concrete voorbeelden uitgelegd. Van de (in totaal) 7 psychotherapiesessies werd met deze cliënt gedurende vier sessies hypnotherapeutisch gewerkt. Verder werd hem zelfhypnose aangeleerd voor de regelmatige toepassing thuis.
In de vier hypnosesessies werd het werken met therapeutische trance (inductie, verdieping, directe en indirecte suggesties, post-hypnotische suggesties, deductie) toegepast in het kader van: ontspanningshypnose, gericht op lichaamsbeleving, activeren van resources, verhogen van veerkracht, zelfbeeld en biografische herstructurering op belevingsniveau en verandering gericht op interactie en gedrag.
Hierbij werd telkens een doorleefde trance-ervaring op vier verschillende niveaus gestimuleerd: lichaamsbeleving, affectieve beleving, cognitie en gedrag. Metaforen aangereikt door de therapeut werden evenzeer toegepast als metaforen van de cliënt. De pre- en posttherapeutische depressie screening (BDI-II- NL) toont een duidelijke verbetering van de symptomen, de cliënt kon na de therapie zijn werk hervatten en in zijn dagelijkse leven weer stabiel functioneren. ORS (Outcome Rating Scale) en SRS (Session Rating Scale) werden bij begin en op het einde van de therapie afgenomen, met als resultaat een goed afgestemd therapieverloop en een duidelijke verhoging van het welbevinden op individueel, relationeel, sociaal en algeheel vlak.
Doelstelling: Een duidelijker beeld verwerven over de positie, werkwijze en mogelijkheden van hypnose in het kader van een psychotherapie bij depressie en burn-out. Hypnose wordt hierbij steeds opgevat als een aanvulling die het psychotherapeutisch proces kan faciliteren en ondersteunen.
 
S24.4 Casus: hypnose bij de psychotherapeutische begeleiding van een jonge moeder met ptss door vroeggeboorte van haar eerste kind
Leentje Marguillier, klinisch psycholoog, psychotherapeut, hypnotherapeut, erkend tabakoloog, bestuurslid, VHYP, zelfstandig praktijk, Jette

Achtergrond: Regressie met behulp van hypnose is een techniek die kan worden toegepast bij mensen met PTSS met dissociatieve elementen.
Methode: In deze casuïstiek worden de verschillende stappen in de psychotherapeutische begeleiding met behulp van hypnose overlopen en toegelicht. De cliënte is een jonge vrouw geconfronteerd met vroeggeboorte. De aanmeldingsklachten zijn chronische stress, hechtingsproblemen met het kind, angsten, schuldgevoelens en gevoelens van depersonalisatie en derealisatie omtrent de bevalling. Van de acht sessies werden vijf hypnosesessies uitgevoerd.
We beschrijven de volgende stappen: aanleren inductie en zelfhypnose, verdiepen en installeren van de veilige plek, activeren andere interne hulpbronnen en egoversterking, angstreductie en brug naar regressie en herbeleving vanuit de veilige zone, positief heroriënteren van de beleving.
Doelstelling: Een voorbeeld geven van de kracht van hypnotische technieken en het zelfhelend vermogen van het onderbewustzijn. Ook hier dient hypnose opgevat te worden als een methode ter ondersteuning van het therapeutisch proces.

11u15-12u45
S25 Implementatie van feedbackgericht behandelen en uitkomstenmeting binnen verschillende sectoren van  de geestelijke gezondheidszorg
voorzitter Marlien De Coen
 
S25.0 Inleiding
Marlien De Coen, stafmedewerker, VVGG, Gent

De implementatie van feedbackgericht behandelen en uitkomstenmeting stelt de geestelijke gezondheidszorg soms voor grote vraagstukken. Men dient met veel factoren rekening te houden en iedere sector heeft hierbij andere aandachtspunten. Tijdens dit symposium vertellen drie sectoren - een psychiatrisch ziekenhuis, cgg en een zelfstandig psycholoog - hoe de implementatie bij hen in de praktijk is verlopen. Hierbij komen zowel de makkelijke als moeilijke elementen aan bod en wordt besproken hoe deze laatste aangepakt werden.
 
S25.1 Werken met zorguitkomsten in een psychiatrisch ziekenhuis, implementatie met hindernissen
Patrick Bruyneel, stafmedewerker, PZ Sint-Camillus, Sint-Denijs-Westrem

In PZ Sint-Camillus werd twee jaar geleden het werken met uitkomstenmeting ziekenhuisbreed geïmplementeerd. Na een lange zoektocht welk instrument de minste inspanning kostte om de grootste feedback te krijgen, werd gekozen voor de Tool voor Uitkomstenmeting (TUM).
Niettegenstaande een ziekenhuisbrede sensibilisatie, toelichting en opvolging zijn we toch gebotst op de klassieke weerstanden en verweer. Een strategie om de feedback van de TUM in de klassieke gesprekken te integreren drong zich op en werd gevonden. De acties resulteerden in een versteviging van de integratie van de resultaten in de individuele begeleiding van de patiënt, rekening houdend met de verschillende doelgroepen.
 
S25.2 Dwarsliggers houden de sporen recht
Ben Henau, kwaliteitscoördinator, CGG Largo, Veurne

Tijdens deze uiteenzetting schetsen we enkele hindernissen bij de implementatie van feedbackgericht behandelen en uitkomstenmetingen. Hindernissen bij het beleid, de therapeut en de cliënt. Wanneer we deze hindernissen goed begrijpen worden ze ‘dwarsliggers’ die de sporen recht houden en helpen ze ons om tot een beter kwaliteit van zorg te komen. We gebruiken hiervoor het implementatietraject binnen CGG Largo als concreet voorbeeld.

S25.3 Installeren van een feedback-cultuur in de zelfstandige praktijk
Stijn Wolters, psycholoog, Groepspraktijk De Brug, Tienen

"On becoming a better therapist". Het was dit boekje, en later een training van Barry Duncan, dat me kennis deed maken met de kracht van CDOI (Client Directed Outcome Informed). Het feit dat je als therapeut of coach je werk voor je cliënt zoveel meer effectief kan maken, wetenschappelijk aantoonbaar, gecombineerd met de eenvoud van het model deed me onmiddellijk besluiten dit model in de praktijk te brengen. Nu, vier jaar later is het een vast onderdeel geworden van mijn werk met cliënten en kan ik het CDOI niet meer wegdenken uit mijn werk. Ik leerde er toenmalige collega 's mee werken, leerde het benutten als supervisie instrument en gebruik het in mijn communicatie met verwijzers. Tussen het lezen van het boekje en waar ik nu sta, ligt een hele weg.
Graag wil ik ingaan op hoe ik de schaalvragen van de ORS en SRS inbracht in de therapie/coaching. Wat het mij  - en de cliënt! - opleverde en me deed doorzetten, maar ook waarbij  ik moeilijkheden ondervond. Gaande van het vinden van de juiste taal om procesgerichte feedback te verkrijgen bij het gebruik van de SRS, het gebruik van de ORS bij een gemandateerde cliënt, tot het belang van de juiste meetlat om CDOI zo natuurlijk mogelijk in het gesprek in te passen.
 
11u15-12u45
S26 Practice-based Evidence: voorbeelden uit het veld
voorzitter Reitske Meganck
 
S26.0 Inleiding
Reitske Meganck, professor, Universiteit Gent

De kloof tussen wetenschappelijk onderzoek en de klinische praktijk is een veelbesproken probleem in het veld van de klinische psychologie. Meer en meer initiatieven tonen echter hoe samenwerking tussen het academische veld en de praktijk mogelijk is en dit op een manier die zowel toelaat om fundamentele inzichten te verwerven in bijvoorbeeld processen van verandering in psychotherapie als waardevolle en concrete inzichten op te leveren voor hulpverleners die midden in de klinische praktijk staan. In dit symposium zullen we vertrekkende vanuit een algemeen kader over het belang van idiografische en kwalitatieve methoden in het veld van het psychotherapie-onderzoek een concrete studie belichten die werd gedaan in een samenwerking tussen de Universiteit Gent en Psychotherapeutisch Centrum Elim uit Kapellen. Hierbij zullen enerzijds de onderzoeksresultaten gepresenteerd worden en anderzijds de klinische implicaties en reflecties vanuit het team van hulpverleners van Elim uiteen gezet worden. Daarbij zal er ook aandacht zijn voor de ervaringen met het uitwerken van een studie die vertrekt vanuit een concrete klinische praktijk in nauwe samenwerking met de hulpverleners zelf.

S26.1 Psychische fenomenen als complexe en dynamische systemen: de noodzaak van een paradigmashift in psychologisch onderzoek
Mattias Desmet, professor, Universiteit Gent

Hedendaags psychologisch onderzoek wordt meer en meer geconfronteerd met methodologische problemen zoals de moeilijkheid om resultaten te repliceren. Deze presentatie argumenteert dat deze problemen gebaseerd zijn op een meer fundamenteel probleem op het niveau van het meten van psychische fenomenen. Dit is op zijn beurt gerelateerd aan de fundamenteel foute assumptie dat psychische fenomenen kunnen beschouwd worden als statische systemen en vanuit een nomothetisch paradigma kunnen bestudeerd worden. Vertrekkende vanuit een overzicht van de meest belangrijke bevindingen omtrent betrouwbaarheid en validiteit in het nomothetisch paradigma en voorbeelden uit concreet psychotherapie-onderzoek argumenteren we dat psychische fenomenen dienen begrepen te worden als complexe en dynamische systemen. De academische psychologie zal bijgevolg moeten bewegen in de richting van methoden die geschikt zijn om dergelijke systemen te onderzoeken. Dit leidt tot een focus op meer idiografische methoden met narratieve en mathematische beschrijving eerder dan kwantitatieve beschrijving op groepsniveau. Implicaties van een dergelijke noodzakelijke paradigmashift voor de ambities van de academische psychologie met betrekking tot generalisatie en voorspellen zullen worden besproken.
 
S26.2 De complexiteit van outcome in psychotherapie: een mixed method studie bij voormalige cliënten van Psychotherapeutisch Centrum Elim
Reitske Meganck, professor, Universiteit Gent

Zowel in onderzoek naar de uitkomsten van psychotherapie als in effectiviteitsbevragingen in de klinische praktijk wordt veelal gebruik gemaakt van zelfrapportagevragenlijsten. Het gebruik van deze instrumenten is echter niet onomstreden en de mate waarin ze in staat zijn om iets van de effecten van psychotherapie in kaart te brengen wordt wel eens in vraag gesteld. Bij langdurige psychotherapie, waar het accent ligt op meer structurele veranderingen in de interpersoonlijke verhouding en het ruimere functioneren, wordt het in kaart brengen van verandering bovendien nog een stuk complexer. In deze kwantitatief-kwalitatieve studie wordt de onderlinge verhouding tussen outcome zoals gemeten met de veel gebruikte Outcome Questionnaire (OQ-45) en subjectieve ervaring van verandering zoals nagegaan aan de hand van thematische analyse van open interviews nagegaan. De interviews worden gedaan bij voormalige patiënten van psychotherapeutisch centrum Elim die tijdens hun behandeling reeds deelnamen aan het kwantitatieve luik van de studie.
 
S26.3 De effecten van langdurige psychotherapie: een kwalitatieve studie naar de subjectieve ervaring van verandering bij voormalige cliënten van Psychotherapeutisch Centrum Elim
Melissa De Smet, assistent, Universiteit Gent

Onderzoek naar de effecten van psychotherapie gebeurt meestal op groepsniveau aan de hand van zelfrapportagematen. Bij langdurige residentiële psychotherapie, waar het accent ligt op meer structurele veranderingen in de interpersoonlijke verhouding en het ruimere functioneren, kunnen we veronderstellen dat verandering een stuk complexer is dan kan gemeten worden aan de hand van dergelijke instrumenten. Bovendien is het cruciaal om meer inzicht te krijgen in processen van verandering en hoe patiënten zelf een intensief therapieproces beleven (eerste persoonsperspectief). In deze kwalitatieve studie wordt aan de hand van een kwalitatieve analyse van interviews nagegaan op welke manier mensen zelf verandering ervaren en waaraan ze die toeschrijven. De interviews werden afgenomen bij voormalige patiënten van psychotherapeutisch centrum Elim waar gedurende maximaal één jaar intensieve therapie wordt geboden aan mensen met een langdurige psychische problematiek.
 
S26.4 Reflecties uit de praktijk: implicaties van de onderzoeksbevindingen voor hulpverleners werkzaam in Psychotherapeutisch Centrum Elim
Hilde Van Pelt, psychotherapeut, Psychotherapeutisch Centrum Elim, Kapellen

Een aantal jaar terug werd vanuit de vraag naar de effectiveit van het psychotherapeutisch programma dat wordt aangeboden in Elim een onderzoek gestart waarbij cliënten op verschillende momenten tijdens en na hun behandeling de OQ-45 invulden. In samenwerking met onderzoekers van de Universiteit Gent werd hier een aantal jaar later een vervolgstudie aan gekoppeld waarin ook een kwalitatief luik werd opgenomen. Het team van hulpverleners van Elim reflecteerde in groep over de resultaten van deze interviewstudie.
In deze presentatie gaan we dieper in op de ervaringen omtrent het onderzoek en op de reflecties daarover. In het bijzonder focussen we op de implicaties voor het klinische werk binnen een setting zoals Elim.

11u15-12u45
S27 Verslaving en impulsiviteit. Een boeiende uitdaging om nieuwe wetenschappelijk inzichten te integreren in de praktijk van een ontwenningsafdeling
voorzitter Els Santens
 
S27.0 Inleiding
Els Santens, psychiater, afdelingspsychiater, Alexianen Zorggroep Tienen

Zowel uit literatuur als uit klinische praktijk blijkt dat een groot aantal patiënten met een alcohol-probleem gekenmerkt worden door een hoge mate van impulsiviteit. Impulsiviteit hangt sterk samen met het controleverlies dat centraal staat bij verslaving en speelt een belangrijke rol in de in-standhouding van verslavingsgedrag. Bovendien is deze impulsiviteit vaak oorzaak van een lagere therapietrouw en hogere drop-out tijdens behandeling. Ze vergroot ook het risico op terugval zowel tijdens als na behandeling en leidt algemeen tot een slechtere prognose.
De samenhang tussen impulsiviteit en verslavingsgedrag manifesteert zich zowel op neurobiologisch, neurocognitief als gedragsmatig vlak.
Naast een beknopte theoretische inleiding, stellen we graag de voorlopige onderzoeksresultaten voor van ons exploratief onderzoek naar neuropsychologische interventies bij patiënten met een alcoholverslaving én een hoge mate van impulsiviteit. Daarnaast willen we ook de meerwaarde belichten van de integratie van mindfulness sessies in de psychomotore therapie.
 
S27.1 Exploratief onderzoek naar neuropsychologische interventies bij patiënten met een afhankelijkheidsproblematiek: focus op impulsiviteit
Els Santens, psychiater, afdelingspsychiater, Alexianen Zorggroep Tienen
Kristen Vos, psychologe, afdelingspsycholoog, Alexianen Zorggroep Tienen

Een hoge mate van impulsiviteit of een lage mate van zelfcontrole (minder goede executieve con-trole) kan een belangrijke invloed hebben op het behandelresultaat en terugval bij patiënten met een alcoholverslaving. Alcoholmisbruik gaat gepaard met veranderingen in de hersenen o.a. in de dorsolaterale prefrontale en orbitofrontale cortex. Hierdoor kunnen problemen ontstaan in de uitvoerende of executieve controle. In ons onderzoek leggen we de link met de neuropsychologische benadering van het begrip impulsiviteit. Hierbij wordt impulsiviteit gezien als een gebrek aan cognitieve controle of een uit balans zijn van top-down cognitieve controlesystemen en bottom-up gestuurde gewoontes en drijfveren. In het onderzoek wordt nagegaan in hoeverre de Reinforcement Sensitivity Theory van Gray, waarbij gesteld wordt dat gedrag geleid wordt door twee com-plementaire neurobiologische motivatiesystemen, zijnde het Behavioral Activation System (BAS) en het Behavioral Inhibition System (BIS) kan toegepast worden in het kader van indelen van pati-entengroepen op basis van impulsiviteit. We maken hierbij gebruik van vragenlijsten en afname van neurocognitieve testen (Cantab-batterij).
Het opstellen van patiëntprofielen in termen van impulsiviteit (hoge of lage mate van impulsiviteit) zou op termijn kunnen leiden naar een specifieker therapie-aanbod waardoor mogelijks het terugvalpercentage afneemt.

S27.2 Mindfulness en verslaving
Rudi Vanmarsenille, psychomotore therapeut, diensthoofd psychomotore therapie, Alexianen Zorggroep Tienen

Vanuit de duale procesmodellen weten we dat gedrag niet alleen gestuurd wordt door bewuste overwegingen (het reflectieve systeem), maar ook door automatische processen (het impulsieve systeem). Deze automatische, onbewuste processen spelen een belangrijke re rol bij terugval in verslavingsgedrag.
Hoe krijgen mensen met een verslavingsproblematiek zicht en controle op deze impulsieve automatische acties? Kan mindfulness misschien de strijd met deze impulsen en automatische patronen aangaan? Biedt deze bijzondere, kwaliteitsvolle vorm van aandacht een oplossing bij verslaving?
Hoe past een mindfulness training van milde, niet-oordelende en open aanpak binnen een cogni-tief gedragstherapeutisch, residentieel programma van zes weken? Hoe kunnen algemene mindfulnessthema’s als: je lichaam voelen, omgaan met grenzen, stoppen, kijken en handelen en bijzondere verslavingsonderwerpen als: terugvalpreventie, triggers, craving, hoge risicosituaties een werkend geheel en rode draad vormen doorheen het programma?
Deze vragen vormen de basis voor een praktische uitleg over mindfulness en verslaving.
Maex, E. (2009). Mindfulness, in de maalstroom van het leven. Tielt, Uitgeverij Lannoo
Bowen, S., Chawla, N. & Marlatt, A. (2010). Mindfulness-Based Relapse Prevention for Addictive Behaviors. New York, Guilford Press
 
S27.3 Wat zullen we drinken? Aandacht en verslaving
Elke Roose, psychologe, afdelingspsycholoog, PZ Heilige Familie, Kortrijk
Katrijne Indervuyst, psychiatrisch verpleegkundige

Enkele jaren geleden botsten we op een artikel over impliciete cognitie en verslaving dat ons aan het denken zette. Waarom blijven mensen toch drinken ondanks de vele negatieve gevolgen die zij ervaren? De opvatting dat een gebrek aan karakter de basis is van een afhankelijkheidsprobleem is achterhaald maar leeft nog maatschappelijk. Binnen het werkveld is iedereen er stilaan van overtuigd dat afhankelijkheid een chronische hersenziekte is.
Bij mensen met een alcoholafhankelijkheid is er een onevenwicht tussen controlerende en automatische processen, waarbij de laatste de overhand nemen. Verslaafden leggen onbewust hun aandacht op prikkels die met alcohol te maken hebben, hebben zeer veel associaties met alcohol en hebben ook een automatische toenaderingstendens.
Onderzoek heeft uitgewezen dat men deze automatische processen kan hertrainen zodat de cliënt meer in staat is om controle te verwerven over het verslavingsgedrag (Wiers et al., 2011). Hoewel dit onderzoek nog in zijn kinderschoenen staat, willen we dit toch in ons behandelprogramma inte-greren. We bieden psycho-educatiesessies aan, waarbij we er van uitgaan dat een groter zelfinzicht kan leiden tot een grotere bewustwording en het ontwikkelen van meer hantering. Ook maken we gebruik van computertaken om de actietendens en associaties te hertrainen en zetten we in op werkgeheugentraining om de controlerende processen te versterken.

13u45-15u15
S28 Het Familieplatform Geestelijke Gezondheid
voorzitter Ria Van Den Heuvel

S28.0 Inleiding
Ria Van Den Heuvel, bestuurder, Familieplatform Geestelijke Gezondheid

Beknopte toelichting van de werking van het Familieplatform.

S28.1 Noden van familiebetrokkenen
bijdrage 1 Soetkin Claes, medewerker, Familieplatform Geestelijke Gezondheid

Op basis van een traject dat het Familieplatform afgelegd heeft met Psychiatrisch Centrum Sint Hiëronymus, brachten we een aantal noden van familiebetrokkenen in beeld. We geven een overzicht van de voornaamste bevindingen.
 
S28.2 In dialoog met de hulpverlener
Ria Van Den Heuvel, bestuurder, Familieplatform Geestelijke Gezondheid

In samenwerking met Similes, zette het Familieplatform enkele focusgroepen op rond de noden van mantelzorgers. Dit vanuit het perspectief van zowel mantelzorgers zelf, als hulpverleners. Op die manier komt de ‚mismatch’ tussen beide perspectieven geregeld in beeld.

S28.3 Inzetten van familie ervaringsdeskundigheid
Sara Casalin, coördinator, Familieplatform Geestelijk Gezondheid

We bekijken wat dit onderzoek ons leert met betrekking tot trialogisch werken als sleutel voor een geslaagde vermaatschappelijking van de zorg.
 
13u45-15u15
S29 De uitdagingen voor huisartsgeneeskunde in een geestelijke gezondheidszorg in transformatie
voorzitter Jan De Lepeleire

S29.0 Inleiding
inleiding

Het aantal personen in onze samenleving met geestelijke gezondheidszorgproblemen is erg hoog.
De Wereld  Gezondheidszorg Organisatie ziet dit als een belangrijke prioriteit in alle delen van de wereld. Bovendien is het maatschappelijk denken over de hulpverlening aan personen in psychische nood, erg geëvolueerd en in volle transitie. Denken we maar aan de tendens naar vermaatschappelijking van de zorg wat onder andere tot uiting komt in de projecten 107 die in België worden uitgerold.
Deze evoluties genereren grote uitdagingen voor de huisartsgeneeskunde.
In een eerste bijdrage willen we nagaan wat in andere landen in Europa aan de gang is en wat we daaruit kunnen leren. Een tweede bijdrage gaat dieper in op de ervaringen van huisartsen met de verandering die aan de gang is. In dat nieuwe veld hebben huisartsen een nog grotere rol te spelen in diagnostiek en begeleiding van personen met psychische problemen. In onderzoek werd nagegaan wat daarvoor een geschikt kader is en waaraan in de opleiding aandacht moet geschonken worden. Een zeer concrete ondersteuning voor huisartsen wordt besproken in de vierde bijdrage, die toelichting geeft bij de pas gepubliceerde, herwerkte aanbeveling depressie voor huisartsen.
 
S29.1 De geestelijke gezondheidszorg in de eerste lijn vanuit Europees perspectief
Jan De Lepeleire, huisarts, UPC KULeuven en KU Leuven

Problemen en ziektetoestanden van geestelijke gezondheidszorg spelen een belangrijke rol in de ziektelast, zowel in termen van morbiditeit als mortaliteit. En dit over de gehele wereld. Personen die hinder ondervinden van deze problemen doen vaak een beroep op de eerste lijn, waarbij de huisarts vaak het eerste aanspreekpunt is. In dit traject van het zoeken naar de juiste en aangepaste zorg, zijn nogal wat drempels en barrières. Op basis van een review van de literatuur en analyse van documenten onder andere van de Wereld Gezondheids Organisatie schetsen we een overzicht geschetst van uitdagingen waarmee huisartsgeneeskunde geconfronteerd wordt om een kwaliteitsvol antwoord te geven op deze groeiende maatschappelijke nood. Naast de integratie van de geestelijke gezondheidszorg in de eerste lijn, wat in alle Europese landen een groot probleem is, moeten huisartsen vaardig zijn in het onderkennen van de problematiek, vaak gemaskeerd in complexe somatische klachten. Het is een uitdaging om in een model waarin samenwerking, integratie, patiënt participatie en -empowerment en vermaatschappelijking van zorg sleutelbegrippen geworden zijn, op een niet medicaliserende wijze en laagdrempelig een antwoord te bieden op deze problematiek. Daarnaast is er de uitdaging van de goede somatische zorg voor personen met een psychiatrische problematiek. De beroepsgroep staat voor een grote uitdaging van een adequate opleiding en training om deze taak waar te maken.
 
S29.2 Vermaatschappelijking van geestelijke gezondheidszorg: implicaties voor de huisarts
Geert Pint, huisarts, ACHG KU Leuven

De vermaatschappelijking van de ggz heeft als doel de zorg zo optimaal mogelijk te organiseren op maat van de patiënt en zijn omgeving, rekening houdend met hun wensen, noden en krachten.
Drie zorgmodellen kunnen in dergelijke evolutie een leidraad zijn:
-    In een getrapt zorgmodel wordt beoogd de juiste zorg op de juiste plaats aan te bieden: niet te veel, maar ook niet te weinig zorg, niet te kort, maar ook niet te lang.
-    In het collaborative car-model worden de verschillende zorgpartners die rond een patiënt staan verondersteld met elkaar taakafspraken te maken om de zorg zo optimaal mogelijk te kunnen organiseren.
-    En dit alles volgens hebalanced care-model waarbij de aangeboden zorg op een evenwichtige manier moet worden uitgebouwd, met eerst optimale uitbouw van een generalistisch aanbod, om vervolgens een meer gespecialiseerd aanbod uit te bouwen.
De vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg heeft een verschuiving van zorg vanuit het ziekenhuis naar de eerste lijn tot gevolg. Huisartsen zijn daarin de onmisbare schakels om de zorg rond de patiënt thuis optimaal te organiseren.
Hoe kijken huisartsen (en bij uitbreiding, de eerste lijn) naar deze evolutie van vermaatschappelijking van zorg? Merken zij deze veranderingen in hun dagelijkse praktijk? Ervaren zij deze evolutie als een positief gebeuren of zien ze eerder de valkuilen op hen afkomen?
Vanuit ervaringen in het netwerk 107 regio Leuven-Tervuren wordt een kritische blik op deze evolutie gegeven, met een uitnodiging om verder te zoeken naar een gemeenschappelijk zorgmodel voor de geestelijke gezondheidszorg.
WHO (2014). Integrating the response to mental disorders and other chronic diseases in health care systems. WHO
Thornicroft, G. & Tansella, M. ( 2013). The balanced care model for global mental health, Psychol Med., 43, 4, 849-863
 
S29.3 Huisarts en diagnose van psychiatrische aandoeningen
Marc Van Nuland, huisarts, KU Leuven

Huisartsen worden heel frequent geconfronteerd met patiënten met psychische klachten. Dit vraagt van de huisarts de nodige kennis en vaardigheden in de verschillende stadia waarin ze deze patiënten zien. In eerste instantie moet de huisarts (onderliggende) psychosociale problemen voldoende weten te detecteren gezien veel van hun patiënten  zich met eerder somatische klachten aanmelden. Daarna dient de huisarts  op deskundige wijze de psychische klachten te kaderen (exploreren en duiden),  volgens een aangepaste therapeutische aanpak een behandeling voor te stellen conform bestaande richtlijnen en de verdere begeleiding van deze patiënten op te nemen al dan niet in samenwerking met de geestelijke gezondheidssector.
In deze bijdrage tonen we de resultaten van drie kwalitatief explorerende onderzoeksprojecten. Een eerste project brengt in beeld welke knelpunten huisartsen ervaren in de verschillende stadia van het begeleiden van deze patiënten. Een tweede project kijkt naar welke diverse medisch besliskundige strategieën huisartsen gebruiken bij de meest prevalente psychiatrische ziektebeelden die in de huisartsenpraktijk gezien worden (angstproblemen, stemmingsstoornissen, middelen gebruik en somatoforme stoornissen). Een laatste project ontwikkelde een nieuw consultatiemodel voor de aanpak van psychosociale problemen en toetste of dit door huisartsen in opleiding efficiënt kan toegepast worden. Dit consultatiemodel is gebaseerd op het voorstel van Jim van Os om de categoriale diagnostiek op basis van de DSM-5 te vervangen door een meer persoonlijke diagnostiek (1). Dit resulteert in een patiënt- en oplossingsgerichte aanpak op basis van vier kernvragen.

S29.4 De Herziene Aanbeveling Depressie voor huisartsen
Tom De Clercq, huisarts, Vakgroep huisartsgeneeskunde, UGent

Diagnose en aanpak van depressie blijft ook in 2016 een uitdaging voor de eerste lijn. In de pas verschenen update van de Domus Medica-aanbeveling depressie, ontwikkeld in samenwerking met de Academische Centra Huisartsgeneeskunde, bieden de auteurs in een nieuw format handvatten aan voor de huisarts en zijn team. Voortgaande op enkele nieuwe klemtonen in de literatuur is er o.a. bijzondere aandacht voor diagnostiek en aanpak van depressie bij ouderen, voor samenwerking binnen de eerste lijn en over de lijnen heen, alsook voor de niet-medicamenteuze aanpak, al dan niet in eigen beheer. We focussen op wat er nieuw is ten opzichte van de aanbeveling van 2008, wat bijzonder is wat de aanpak op huisartsenniveau betreft en wat de uitdagingen zijn voor de komende jaren.

13u45-15u15
S30 Consultatie- en liaisonpsychiatrie
voorzitter Filip Van Den Eede, psychiater, prof. dr., UZP campus UZA / CAPRI UA, Edegem

S30.0 Inleiding
Dirk Peeters, psychiater, AZ Sint-Jozef Malle / voorzitter sectie consultatie- en liaisonpsychiatrie VVP

De consultatie- en liaisonpsychiatrie richt zich op de zorg voor de patiënt die een somatische en psychiatrische co-morbiditeit toont, in de context van een algemeen ziekenhuis. Het is een werkveld waarin de zorg een voortdurende innovatie en verandering kent, wat aldus de nodige creativiteit vergt. De psychosomatische geneeskunde vormt de basisdiscipline en behelst een breed domein waarin de wetenschappelijke kennis snel evolueert. Het huidige symposium wordt dan ook met enthousiasme georganiseerd vanuit de sectie psychosomatische geneeskunde van de VVP en heeft een interuniversitair karakter. De volgende capita selecta worden besproken onder de vorm van korte presentaties: psychosociale effecten van aangezichtstransplantatie; alexithymie: voorkomen in klinische groepen en belang voor de behandeling; psychofarmaca en QT-verlenging. De onderwerpen zijn klinisch relevant en weerspiegelen de grote diversiteit binnen deze discipline. Ze worden telkens onderbouwd door een wetenschappelijk artikel waarvan de spreker auteur of co-auteur is.
 
S30.1 Psychosociale effecten van aangezichtstransplantatie: een follow-up studie na 3 jaar
Gilbert Lemmens, psychiater, prof. dr., UZ Gent / UGent

Achtergrond: Wereldwijd vonden reeds 34 aangezichtstransplantaties plaats. De eerste psychosociale bevindingen wijzen op een betere levenskwaliteit, sociale integratie, en lichaamsbeeld en minder depressieve klachten bij de patiënt na deze operatie. Lange termijn effecten zijn echter minder onderzocht evenals mogelijke effecten op de gezinsleden. Deze studie onderzoekt de psychosociale gevolgen van een aangezichtstransplantatie bij een patiënt en zijn partner tot drie jaar na de operatie.
Methode: Angst, depressieve klachten, hopeloosheid, coping, veerkracht, ziektecognities, relationele steun en tevredenheid, familiaal functioneren en levenskwaliteit werden bevraagd bij de patiënt en zijn partner twee en drie jaar na de aangezichtstransplantatie. Reliable change index (RCI) werd berekend.
Resultaten: De meeste psychologische, relationele en familiale scores van de patiënt en de partner bleven binnen een normale en niet-klinische range. Veerkracht, affectieve responsiviteit, lichamelijke levenskwaliteit en hopeloosheid van de patiënt verbeterden zelfs twee en drie jaar na de aangezichtstransplantatie. De relationele cohesie van de patiënt verbeterde twee jaar en de relationele diepte van de partner verminderde drie jaar na de operatie.
Besluit: De onderzoeksresultaten bevestigen de goede psychosociale effecten van een aangezichtstransplantatie. Ze benadrukken ook het belang van de patiëntenkeuze, sociale steun en het betrekken van de gezinsleden bij de behandeling.
Lemmens, G., Poppe, C., Hendrickx, H., Roche, N., Peeters, P., Vermeersch, H., Rogiers, X., Lierde, K., Blondeel, P.,N., (2015). Facial transplantation in a blind patient: psychologic, marital, and family outcomes at 15 months follow-up. Psychosomatics. 56(4): 362-70
 
S30.2 Alexithymie: voorkomen in klinische groepen en belang voor de behandeling
Frank Maes, psychiater, Dienst psychiatrie az Sint-Maarten, Mechelen

Alexithymie verwijst naar het onvermogen “gevoelens te kunnen lezen”. We lichten de
verschillen in conceptualisering toe (primaire en secundaire vorm, verband met mentalisatie). Neurofysiologische hypotheses en beschouwingen vanuit ontwikkelingsperspectief komen aan bod. De rol die alexithymie speelt in psychiatrische en (psycho)somatische aandoeningen wordt besproken vanuit het concept van affectdisregulatie. De prevalentie werd onderzocht in verschillende klinische groepen en we bespreken uitvoeriger de prevalentie bij fibromyalgie.
Tevens geven we aan hoe dit concept werd geoperationaliseerd en welke  meetinstrumenten de clinicus ter beschikking staan. Belangrijk hierbij is de invloed die depressie, angst en pijn op hun beurt kunnen uitoefenen op (het meten van) alexithymie. Tenslotte bespreken we waarom het belangrijk is alexithymie te herkennen en geven we adviezen voor de behandeling van deze patiënten.
Maes, F. & Sabbe, B. (2014). Alexithymie bij fibromyalgie;prevalentie.  Tijdschrift voor Psychiatrie. 56: 798-806
 
S30.3 Psychofarmaca en QT-verlenging: hype of terechte zorg?
Joris Vandenberghe, psychiater, prof. dr., UPC KU Leuven campus UZ Gasthuisberg / KULeuven

Vele psychofarmaca verlengen het QT-interval op ECG en verhogen zo het risico op ventriculaire ritmestoornissen (Torsade de Pointes, ventrikelfibrillatie) en plotse hartdood. Het QT-interval is een maat voor de duur van de ventriculaire repolarisatie, en gestoorde repolarisatie (verlengd QT) kan leiden tot vroege na-depolarisaties en zo tot ventriculaire ritmestoornissen. We bespreken het belang en de manieren van correctie van het QT-interval (QTc). De wetenschappelijke gegevens over psychofarmaca en het risico op QT-verlenging en op ventriculaire ritmestoornissen worden kritisch besproken, evenals de risicoklassen die een onderscheid maken tussen de verschillende farmaca (CredibleMeds). Recente onderzoeksbevindingen van de eigen onderzoeksgroep worden voorgesteld, zowel uit algemene psychiatrie als uit liaisonpsychiatrie, met nadruk op de klinische implicaties: wanneer moet een ECG overwogen worden bij gebruik van psychofarmaca? Kan een psychofarmacon gestart worden bij verlengd QT-interval en zo ja, waarmee moet dan rekening worden gehouden? De vergelijking met het risico op agranulocytose bij Clozapine wordt uitgewerkt. We besluiten dat ventriculaire ritmestoornissen een heel klein, maar zeer ernstig risico inhouden (mortaliteit). Aangezien het gaat over veel gebruikte geneesmiddelen, is dit op populatieniveau wel relevant en heeft dit dus implicaties voor de klinische praktijk.
Vandael, E., Marynissen, T., Reyntens, J., Spriet, I., Vandenberghe, J., Willems, R., Foulon, V. (2014). Frequency of use of QT-interval prolonging drugs in psychiatry in Belgium. Int J Clin Pharm. 36(4):757-65

13u45-15u15
S31 Analyse van het voorschrijfgedrag van antipsychotica door Belgische artsen: Wat schrijven we voor en waarom?
voorzitter Manuel Morrens
 
S31.0 Inleiding
Manuel Morrens, psychiater, hoofddocent UA, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

Antipsychotica zijn frequent voorgeschreven geneesmiddelen die gehanteerd worden bij een brede waaier van psychiatrische en niet-psychiatrische indicaties. Dit symposium maakt een analyse van het voorschrijfgedrag door de Belgische arts, kijkt naar evoluties doorheen de tijd, en staat stil bij de impact van de farmaceutische industrie hierop.

S31.1 Voorschrijven van eerste en tweede generatie antipsychotica in Belgie tussen 1997 en 2012: een populatie-gebaseerd onderzoek.
Manuel Morrens, psychiater, hoofddocent UA, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

In verscheidene landen werd er de laatste jaren een duidelijke toename in antipsychoticaconsumptie waargenomen. Echter, het specifieke voorschrijfgedrag lijkt sterk bepaald te worden door regionale en landelijke verschillen. Enerzijds worden de evoluties in voorschrijfgedrag in Belgie onderzocht tussen 1997 en 2012, en wordt er meer specifiek gekeken naar verschillen hierin tussen de eerste en tweede generatie atnipsychotica. Daarnaast wordt de vergelijking gemaakt van de antipsychoticaverkoop in de periode 2004-2012 in de drie verschillende Belgische gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel).

S31.2 De relatie tussen voorschrijfpatronen van antipsychotica en contacten met de farmaceutische industrie in Vlaanderen
Stijn Cleymans, arts, aso psychiatrie, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI),
Universiteit Antwerpen

Doelstelling: De verkoopcijfers van antipsychotica stijgen wereldwijd, voornamelijk door de toename van de verkoop van atypische antipsychotica. Toch kan het succes van atypische antipsychotica, vergeleken met typische antipsychotica, niet verklaard worden door wetenschappelijke evidentie. Uit verschillende studies blijkt namelijk dat beide evenwaardige resultaten hebben op gebied van positieve, negatieve en cognitieve symptomen bij schizofrenie. Naast dit fenomeen ontstaat er een toenemende interesse voor de invloed van de farmaceutische industrie op voorschrijfgedrag.
Deze studie onderzoekt de relatie tussen voorschrijfpatronen van antipsychotica en contacten met de farmaceutische industrie.
Methodologie: Een cross-sectionele online enquête werd afgenomen bij psychiaters en huisartsen in Vlaanderen. De respondenten werden ondervraagd over hun voorschrijfgedrag, over hun mening betreffende de werkzaamheid van atypische versus typische antipsychotica en hun contacten met de farmaceutische industrie.
Met behulp van Spearman’s rangcorrelaties en chi-kwadraattesten werden de relaties tussen verschillende variabelen en groepsverschillen onderzocht.
Resultaten: Psychiaters en huisartsen in Vlaanderen hebben een duidelijke voorkeur voor olanzapine en risperidon, gevolgd door quetiapine en aripiprazol. Deze voorkeur wordt ondersteund door de overtuiging dat atypische antipsychotica een superieure werkzaamheid hebben en een gunstiger bijwerkingenprofiel hebben vergeleken met typische antipsychotica. Regelmatig contact met vertegenwoordigers uit de farmaceutische industrie is gecorreleerd met een voorkeur voor atypische ten opzichte van typische antipsychotica. 41% van de respondenten geeft aan beïnvloed te worden door de farmaceutische industrie, wat een hoger percentage is dan voordien gerapporteerd.

S31.3 Voorschrijfgewoonten in acute sedatie: een bevraging van Belgische psychiaters en urgentie artsen
Chris Bervoets, psychiater, diensthoofd, UPC KU Leuven, ACCENT Academisch Centrum voor Neuromodulatie in Psychiatrie / KODA Klinisch en Onderzoekscentrum Obsessif Compulsieve aandoeningen, Leuven
Roelant, De Fruyt, Demunter, Dekeyser, Vandenbussche, Titeca, Pieters, Sabbe, Morrens

Het farmacotherapeutische beleid van agitatie is een veel voorkomende klinische uitdaging. Farmacotherapie wordt veel gebruikt, het gebruik van gepubliceerde richtlijnen echter is onbekend. Het doel van deze studie was tweevoudig; het voorschrijfpatroon van psychiaters en spoedartsen  beschrijven en  evalueren in hoeverre richtlijnen worden gebruikt.Een cross-sectionele survey werd uitgevoerd in 39 psychiatrische ziekenhuizen, 11 psychiatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen en 61 spoeddiensten  Alle artsen werd gevraagd naar hun behandelingsvoorkeuren, hun gebruik van richtlijnen en de opvolging van effectiviteit en veiligheid.
Onze resultaten reveleren dat het voorschrijfgedrag in Vlaanderen bij acute agitatie een complexe relatie toont met de gepubliceerde richtlijnen en bovendien verschillen per specialisme.

S31.4 Hoe wordt de Vlaamse psychiater beïnvloed door de farmaceutische industrie?
Manuel Morrens, psychiater, hoofddocent UA, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

Vele studies tonen aan dat artsen beinvloed worden door de farmaceutische industrie in hun voorschrijfgedrag, zo ook Vlaamse psychiaters. Hoe gebeurt dit echter? Een overzicht van de literatuur wordt gegeven over verscheidene vormen van beïnvloeding. Er wordt stilgestaan bij hoe de beschikbare wetenschappelijke literatuur tot stand komt, en in welke mate deze vertekend is. Daarnaast wordt gekeken naar de invloed die allerlei  contacten tussen artsen en de farmaceutische industrie kan hebben op het voorschrijfgedrag van artsen.

13u45-15u15
S32 35 jaar eenheid Ontwenning, wederkerig groeien in zorg op maat
voorzitter Mieke Hoste, psychiater, eenheid Ontwenning, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Reeds 35 jaar bestaat onze afdeling, Eenheid ontwenning (Kliniek Sint-Jozef Pittem). In de afgelopen decennia zijn heel wat creatieve ideeën gepasseerd, dankzij tal van medewerkers en opgenomen patiënten. Bij de keuze van de bijdragen was het dan ook niet makkelijk. Wij stellen een aantal onderdelen van onze werking voor die wat meer voeten in de aarde hebben gehad en die door de opbouw van jaren kennis in de verslavingszorg gegroeid zijn binnen onze werking.
Creativiteit zien we als een mix van durf, speelsheid, volharding en wederkerigheid met toch genoeg fundament. Wij streven binnen onze afdeling zoveel mogelijk naar een respectvolle zorg op maat waarbij ook de omgeving nauw betrokken wordt.

S32.0 Inleiding
Eva Debusscher, psychiater, eenheid Ontwenning, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Reeds 35 jaar bestaat onze afdeling, Eenheid ontwenning (Kliniek Sint-Jozef Pittem). In de afgelopen decennia zijn heel wat creatieve ideeën gepasseerd, dankzij tal van medewerkers en opgenomen patiënten. Bij de keuze van de bijdragen was het dan ook niet makkelijk. Wij stellen een aantal onderdelen van onze werking voor die wat meer voeten in de aarde hebben gehad en die door de opbouw van jaren kennis in de verslavingszorg gegroeid zijn binnen onze werking.
Creativiteit zien we als een mix van durf, speelsheid, volharding en wederkerigheid met toch genoeg fundament. Wij streven binnen onze afdeling zoveel mogelijk naar een respectvolle zorg op maat waarbij ook de omgeving nauw betrokken wordt.

S32.1 Rookstop op een ontwenningsafdeling
Fran Vercampt, eenheid Ontwenning, psychiatrisch verpleegkundige, tabakologe, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Deze bijdrage gaat het over het aanbod van een rookstopprogramma op de ontwenningsafdeling, waarbij de ontwenning in hoofdzaak gericht is op alcohol en medicatie. De meeste mensen komen niet in opname voor een rookstopbegeleiding. Vroeger heerste ook  het idee dat men best één verslaving ter gelijkertijd aanpakte. De meeste recente onderzoeken geven het tegendeel aan. We hebben reeds verschillende jaren heel positieve ervaringen met het rookstopprogramma. In deze bijdrage wordt duidelijk op welke creatieve manier het rookstopprogramma is gegroeid, hoe  we mensen proberen warm te maken om ook hun nicotineverslaving aan te pakken en hoe dit hun nuchterschap positief kan beïnvloeden.

S32.2 Preventiepraktijk
Rein Deconinck, psychologe, eenheid Ontwenning, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Gezien de aard van de problematiek is terugvalpreventie een essentieel onderdeel van de behandeling van mensen met een middelenprobleem. De trainingen hierrond zijn goed uitgebouwd en de literatuur is ruim. Patiënten vernoemen ook een grote tevredenheid rond dit behandelonderdeel. We stelden echter vast dat we soms op een te theoretisch niveau het gesprek aangingen met patiënten. De kunst van een goede terugvalpreventie is om samen met de patiënt in zijn of haar leefwereld te gaan staan en van daaruit meer specifiek en praktisch toepasbaar te kunnen werken. Het afgelopen jaar hebben we op onze afdeling de sessies terugvalpreventie herwerkt met dit adagium in ons achterhoofd.
In deze uiteenzetting brengen we hoe we samen met de patiënten de terugvalketen meer naar de praktijk vertalen. Een aantal vragen waarbij we stilstaan zijn de volgende. Hoe breng je de patiënt in contact met zijn of haar valkuilen en hoe kan de patiënt er effectief mee aan de slag gaan? Hoe kunnen we niet enkel spreken over omgaan met craving, maar patiënten effectief laten oefenen met alternatieven? Op welke manier kunnen we de context van de patiënt op een waardevolle manier betrekken? Met andere woorden: hoe maak je van terugvalpreventie een terugvalpreventiepraktijk?

S32.3 Multi Family-groep
Mieke Hoste, afdelingspsychologe, eenheid Ontwenning, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Op onze afdeling bestaat sedert 2008 een KOAP-werking, er is een aparte begeleiding voor de kinderen en hun ouders (onder de vorm van opvoedingsondersteuning). Doordat beide subsystemen terechtkwamen in parallelle hulpverlening beoogden we om met de Multi Family Group (MFT) tot een betere integratie binnen het gezin te komen. Er werd vaak onmacht gevoeld bij de kinderen, partners en opgenomen patiënten omdat er onderling te weinig verbinding werd gemaakt met elkaar tijdens de behandeling. In de vier MFT-sessies (gesloten cyclus)  proberen we aan de hand van creatieve oefeningen, verbaal en non-verbaal (aangepast aan de leeftijd van de kinderen) verbinding te maken tussen de gezinsleden, de ouderrol te herstellen, een kader te bieden voor de kinderen, de schuldvraag te doen afnemen, de krachten aan te spreken enz. Door ouders woorden aan hun kinderen te geven en omgekeerd tonen we hoe krachtig gezinnen wel zijn. Desondanks de vele stigma's die rusten op verslaving. Het is ook belangrijk dat ouders zicht krijgen op welke manier de verslaving of gerelateerd gedrag onveiligheid bij het kind doet ontstaan. Want dat is steeds heel subjectief en interactioneel bepaald.

S32.4 Vijf jaar BOE-werking
Paul Seynaeve, eenheid Ontwenning, afdelingshoofd, Sint-Jozefkliniek, Pittem
Bart Robbrecht, eenheid Ontwenning, ervaringsdeskundige

Binnen de Sint-Jozefkliniek van Pittem is er een grondige cultuuromslag aan de gang, waarbij patiënten, ervaringsdeskundigen en familieleden meer betrokken worden en een stem krijgen. Concreet wordt hun expertise meer en meer ingezet op drie niveaus: op ziekenhuisniveau (het beleid), in de zorg en op het niveau van de behandeling van elke individuele patiënt. Binnen de ontwenningskliniek was een belangrijke gangmaker in dit hele proces de opstart van een patiënt-gestuurd initiatief, de BOE-groep (Bewust Ontdekken van je eigen Ervaringsdeskundigheid). In dit initiatief zijn het inzetten van de eigen unieke kracht als ex-patiënt, partnership, openheid, authentieke dialoog, en volwaardige actieve participatie de pijlers waarop de werking gebaseerd is.
In deze bijdrage staan we stil bij vijf jaar BOE-groepwerking, de concrete realisaties, de waarde en de impact ervan op het herstelgericht werken met mensen met een middelenafhankelijkheid.