20 en 21 september 2016
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Creatief in de geest, innovatief in de zorg

symposia

dinsdag 20 september 2016
11u30-13u00
S01 Alternatieven voor het psychiatrisch ziekenhuis: vernieuwende gemeenschappen in de gemeenschap
voorzitter Ludwina Van Bouwel

S01.0 Inleiding
Ludwina Van Bouwel, psychiater/psychotherapeut, psychiater zorgprogramma psychose, UPC KU Leuven, campus Kortenberg

De afbouw van psychiatrische bedden in het ziekenhuis met een relocatie van diensten in de gemeenschap heeft ertoe bijgedragen dat men meer belang begint te hechten aan krachten in de sociale omgeving van de gemeenschap. Mensen met een ernstige psychiatrische aandoening hebben meer kans op vooruitgang in een laagdrempelig ‘gewoon huis in de stad’, waar stigma en vervreemding zo veel mogelijk worden vermeden en een menselijke nabijheid centraal staat in de werking. Twee projecten met name Villa Voortman in Gent en Veerkracht wonen in Antwerpen zullen dit illustreren en hun visie toelichten. Een nog op te richten project, met name een Soteriahuis voor mensen in een psychotische crisis, sluit volledig aan bij de twee voorgaande projecten. De drie huizen, die een alternatief zijn voor  het psychiatrisch ziekenhuis, maken op een innoverende manier gebruik van de creativiteit van alle betrokken personen. Mensen met een psychiatrische problematiek, hulpverleners en de nabije omgeving slaan de handen in elkaar. Zij zijn er immers van overtuigd dat goede geestelijke gezondheidszorg een zorg is die kleinschalig op wijkniveau wordt georganiseerd.

S01.1 Villa Voortman. Een ontmoetingshuis in de stad
Dirk Bryssinck, psycholoog, coördinator, Villa Voortman, Gent

Villa Voortman is een laagdrempelig ontmoetingshuis in de stad. Het richt zich tot kwetsbare mensen met een dubbeldiagnoseproblematiek die om tal van redenen de aansluiting met de reguliere hulpverlening missen. Zij hebben moeilijkheden op verschillende levensgebieden, zoals ernstige psychiatrische en justitiële problemen, verslaving, stigmatisering en dakloosheid.
Villa Voortman vertrekt van een ‘schadebeperkende’ (harm reduction) benadering en kenmerkt zich door het aanbieden van een ‘asiel’ of schuilplaats, een warme plek waar men zich welkom en geaccepteerd voelt. De focus ligt op ontmoeting, met respect voor ieders identiteit. Het is een permissieve, niet-verplichtende, ‘ontvankelijk wachtende’ omgeving, die persoonlijke groei en inter-persoonlijke relaties bevordert, belang hechtend aan empowerment of kracht geven. Het is een plek waar mensen zichzelf kunnen ontwikkelen via artistieke ateliers en andere activiteiten, aangeboden door kunstenaars, vrijwilligers en bezoekers zelf. Met respect voor ieders eigenheid, wordt er gestreefd naar sociale inclusie en toekomstperspectieven via de ondersteuning van inclusief burgerschap.  
Onder het motto “minimale structuur, maximale verantwoordelijkheid”, waarbij gelijkwaardigheid, participatie, overleg en destigmatisering centraal staan, wordt er langzaam een band opgebouwd met de bezoekers. Zo worden ze steeds meer mensen met een verhaal, wat leidt tot verbondenheid en verlangen en tot een langzame terugkeer in de samenleving waaruit ze werden uitgesloten.
 
S01.2 Veerkrachtwonen
Tom Vansteenkiste, psycholoog, zorginhoudelijk coördinator, BW De Link, Mortsel
Nicole Van Houtven, directeur BW De Link, Mortsel

Het project Veerkrachtwonen wordt vormgegeven vanuit Beschut Wonen De Link Mortsel, in een samenwerking met enkele relevante partners. Veerkrachtwonen is gericht op een specifieke doelgroep van jongvolwassenen (leeftijdscategorie 18-25 jaar) met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA-profiel), en heeft als doelstelling het voorzien van een intensief zorgtraject in combinatie met langdurige woonondersteuning.
Vanuit een op de persoon afgestemde zorg (met klemtoon op eigen regie en krachtgericht denken) wordt samen met de cliënt een ontwikkelingsgericht plan uitgewerkt in combinatie met een groepswerking binnen de woonomgeving. Deze woonondersteuning is gericht op het creëren van een veilige en stimulerende omgeving, met specifieke focus op peersupport (bewoners delen ervaringen, leren van en door elkaar, vinden steun en kracht bij elkaar). In het bijzonder wordt  aandacht geschonken aan het samenwerken met de context (via voorzieningen zoals CAW, SHM, etc.) en natuurlijke steunbronnen van de jongvolwassene, zoals familie en het eigen netwerk.
Veerkrachtwonen ging van start begin 2016. Deze bijdrage omvat een korte voorstelling van de werking en de context, samen met een reflectie op eerste praktijkervaringen.

S01.3 Het Soteriahuis: Een kleinschalige milieu-therapeutische benadering voor jongvolwassenen in een psychotische crisis
Martine Lambrechts, psycholoog/psychotherapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Bart Reynders, psycholoog/psychotherapeut, PC Bethanië, Zoersel
Virginie Debaere, psychologe/psychotherapeute, VDIP, Sint-Niklaas

In deze bijdrage gaan we in op de eigenheid en het ontstaan van Soteria. Een Soteriahuis is een gewoon huis in het dorp of de stad, waar een achttal jongvolwassenen die een psychotische crisis doormaken samenleven met twee teamleden. De personen in crisis en de teamleden dragen samen de verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van het huis. Deze aanpak vertrekt vanuit de overtuiging dat het samen opnemen van de dagelijkse taken de persoon in crisis het meeste helpt om weer tot de realiteit te komen, en dat het samenleven en werken in een dragende, kleinschalige gemeenschap op zich therapeutisch werkt. Het eerste Soteria-pilootproject ontstond in 1973 in de buurt van San Francisco. Opmerkelijk in deze experimentele setting van Mosher en Menn  was dat het medicatiegebruik als behandelstrategie zo minimaal mogelijk gehouden werd. In de Soteria-aanpak ligt de nadruk daarentegen op de therapeutische kracht van de relatie, binnen een veilige, rustgevende en dragende omgeving.

11u30-13u00
S02 Project Van Celst
voorzitter Inge Glazemakers

S02.0 Inleiding
Inge Glazemakers, klinisch psychologe, gastprofessor Universiteit Antwerpen, onderzoeker, copromotor onderzoeksproject Van Celst, CAPRI (collaborative Antwerp Research Institute), Universiteit Antwerpen; UKJA (Universitaire Kinder- en jeugdpsychiatrie Antwerpen)

Complexe meervoudige problematiek bij adolescente en jongvolwassen meisjes kan zich uiten in het samengaan van psychiatrische problemen, verstandelijke beperking en een ontoereikende gezinscontext, gepaard met een belemmerde socio-emotionele en/of educatieve ontwikkeling. Deze problematiek heeft verregaande gevolgen voor de meisjes zelf (o.m. als voorspeller van slechte fysieke en mentale gezondheid, middelenmisbruik, antisociale persoonlijkheidsstoornis en delinquent gedrag op volwassen leeftijd) en hun omgeving, en veroorzaakt bovendien een hoge maatschappelijke kost, mede ten gevolge van institutionalisering. Deze jongeren vergen gezamenlijke aandacht van een grote verscheidenheid aan hulpverleners vanuit verschillende diensten en sectoren, en stellen zeer hoge eisen aan de organisatie en coördinatie van de zorg en de vaardigheden en inzet van de individuele hulpverlener. Meisjes met een dergelijk profiel ontvingen tot op heden vaak niet de gepaste zorg.
Het project Van Celst biedt sinds kort een uniek zorgaanbod voor deze meisjes, gebaseerd op doorgedreven intersectorale samenwerking, waarbij de verschillende sectoren, onder meer bijzondere jeugdzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie, gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het opstellen en opvolgen van een geïndividualiseerd behandelplan.
In dit symposium lichten wij het kader en de doelstellingen van deze innovatieve werking in begeleidingstehuis Van Celst toe en illustreren met de initiële praktijkervaringen. Ook wordt de stand van zaken in de aan dit project verbonden onderzoeksopdracht weergegeven.

S02.1 Samenwerking tussen UKJA (Universitaire Kinder – en jeugdpsychiatrie Antwerpen) en Begeleidingstehuis Van Celst (Jeugdzorg Emmaüs, bijzondere jeugdzorg)
Corine Faché, kinder- en jeugdpsychiater, afdeling Internaliserende stoornissen UKJA, project van Celst, UKJA (Universitaire Kinder - en jeugdpsychiatrie Antwerpen)
Helena Van den Steene, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding

Achtergrond: Tekorten in het zorgaanbod  voor adolescente meisjes met complexe meervoudige problematiek zijn binnen de verschillende hulpverleningssectoren en op breder maatschappelijk vlak erg actueel en relevant. Vaak doorlopen deze jongeren zeer complexe hulpverleningstrajecten, waarbij de beschikbare zorg niet kan tegemoetkomen aan de uiteenlopende en uitgesproken noden die bij deze meisjes op verschillende levensdomeinen bestaan.
In het streven naar zorg die wordt gekenmerkt door een doorgedreven intersectorale en interdisciplinaire samenwerking, waarbij de verschillende sectoren, voorzieningen en hulpverleners gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich nemen om een flexibel hulpplan, aangepast aan de individuele vragen en noden van de jongeren en hun context te realiseren, is een goede afstemming en samenwerking tussen jeugdzorg en kinderpsychiatrie onontbeerlijk.
In de werking van begeleidingstehuis Van Celst werd een doorgedreven en intensieve samenwerking tussen deze voorziening van bijzondere jeugdzorg en de kinderpsychiatrie (UKJA) gerealiseerd, met als doel het optimaliseren van begeleiding en behandeling van adolescente meisjes met ernstige problemen in het regelen van gedrag en emoties, met mogelijk bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Een dergelijke samenwerking beoogt een inhoudelijke en financiële meerwaarde, en tracht tegemoet te komen aan de nijpende maatschappelijke nood.
Bijdrage: In deze bijdrage wordt, na  het verduidelijken van de ervaren noden in de hulpverlening aan meisjes met complexe meervoudige problematiek, de concrete uitwerking van de samenwerking tussen kinder- en jeugdpsychiatrie (UKJA) en Jeugdzorg Emmaüs, afdeling Van Celst, toegelicht.
 
S02.2 Psychiatrie in bijzondere jeugdzorg
Els Lieckens, verantwoordelijke residentiële diensten, Van Celst, Jeugdzorg Emmaüs, Antwerpen
Jeroen Coeck, klinisch psycholoog
Helena Van den Steene, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding

Achtergrond: Het zorgaanbod binnen het project Van Celst is innoverend op vlak van de intensiteit van samenwerking en uitwisseling en de gedeelde verantwoordelijkheid tussen medewerkers van begeleidingstehuis Van Celst (bijzondere jeugdzorg, Jeugdzorg Emmaüs) en UKJA (Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen).  
De uitbouw van deze innovatieve werking betekent voor beide partijen een belangrijke investering, die voortdurende afstemming en zelfreflectie vereist, maar gaat ook gepaard met een tastbare meerwaarde op het vlak van de zorgverlening aan cliënten en de omkadering en persoonlijke ontwikkeling van hulpverleners.
Aan de hand van de casus van een adolescent meisje dat tijdens haar verblijf bij Van Celst psychotische symptomatologie ontwikkelde, wordt de intensieve samenwerking tussen bijzondere jeugdzorg en kinderpsychiatrie binnen het project Van Celst geïllustreerd.
Dankzij de aangehouden gecombineerde inbreng van expertise en begeleiding vanuit de beide sectoren, kon dit meisje ook tijdens deze episode in begeleidingstehuis Van Celst verblijven en succesvol worden begeleid, met zowel kinderpsychiatrische risicotaxatie en begeleiding vanuit UKJA, als een stabiel en steunend kader met aandacht voor de verdere ontwikkelingstaken, geboden door Van Celst.
Bijdrage: In deze bijdrage wordt aan de hand van een casus de ervaren meerwaarde van de samenwerking tussen kinder- en jeugdpsychiatrie (UKJA) en Jeugdzorg Emmaüs, afdeling Van Celst, toegelicht.

S02.3 Onderzoeksproject “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst”
Helena Van den Steene, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding
Inge Glazemakers, Dirk van West

De onderzoeksopdracht “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst” werd uitgeschreven naar aanleiding van de opstart van deze innovatieve werking bij begeleidingstehuis Van Celst.
Dit drie jaar durend onderzoeksproject hanteert een mixed models benadering, waarbij kwantitatieve en kwalitatieve methodes worden ingezet om te komen tot een doelgroepomschrijving, een beschrijving van de  hulpverleningstrajecten en vooral een evaluatie van de ervaring van de meerwaarde van cross-sectorale samenwerking binnen de trajecten van Van Celst, vanuit de perspectieven van cliënten (jongeren en hun belangrijke naasten) en hulpverleners.
Doelstelling is, de huidige werking verder te documenteren en te onderbouwen, en te komen tot aanbevelingen om het zorgaanbod bij Van Celst, maar mogelijk ook in andere settings, te optimaliseren.
Tot op heden werd, naast onderbouwend literatuuronderzoek, voor een deel van de onderzoekspopulatie een gedetailleerde dossieranalyse, aangevuld met vragenlijsten uitgewerkt. Tevens werden focusgroepen georganiseerd met de medewerkers van Van Celst en UKJA.
In deze bijdrage wordt het kader van en de stand van zaken in het onderzoeksproject “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst” toegelicht.

11u30-13u00
S03 Paniekstoornis
voorzitter Filip Van Den Eede

S03.0 Inleiding
Filip Van Den Eede, psychiater, medisch coördinator psychiatrie/hoofddocent, UZP campus UZA / CAPRI UA, Edegem

De paniekstoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van recidiverende en onverwachte paniekaanvallen, die gepaard gaan met voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval en/of bezorgdheid over de verwikkelingen en de consequenties van een aanval en/of belangrijke gedragsveranderingen. De paniekstoornis kent een hoge prevalentie en brengt een hoge lijdensdruk en belangrijke functionele beperkingen met zich mee. Ondanks het wetenschappelijk onderzoek dat tot op het heden uitgevoerd werd, is de pathogenese nog steeds onduidelijk. De nosologische wijzigingen in DSM-5 (t.a.v. DSM-IV-TR) worden kort besproken. Vervolgens bieden we een beknopt overzicht van de belangrijkste psychologische en neurobiologische verklaringsmodellen, om tot slot de topic over het onderzoek naar subtypes en naar effecten van jeugdtrauma te situeren in de context van de huidige literatuur.
 
S03.1 Onderzoek naar subtypes van paniekstoornis
Thomas Pattyn, arts, aso psychiatrie/doctorandus, UZP campus UZA / CAPRI UA, Edegem

Paniekaanvallen worden in de paniekstoornis gekenmerkt door een begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen waarbij vier van de dertien mogelijke symptomen aanwezig zijn. Zodoende is er een grote variatie in klinische presentatie van paniekaanvallen waardoor de heterogeniteit van de paniekstoornis op de voorgrond komt te staan. Omwille van dit heterogene karakter werd er getracht om specifieke subtypes van paniekstoornis te definiëren.
In de bijdrage gaan we in op het onderzoek dat uitgevoerd werd in een samenwerkingsverband tussen het CAPRI (UA) en het VUmc Amsterdam. Vervolgens gaan we dieper in op een fMRI-studie naar de neurobiologische karakterisatie en differentiatie van de subtypes tijdens het emotioneel verwerken van gezichten.
 
S03.2 Impact van jeugdtrauma op het verloop van de paniekstoornis
Maud De Venter, psycholoog, klinisch psycholoog/doctorandus, UZP campus UZA / CAPRI UA, Edegem

Recente studies, die gebruik maakten van de NESDA-databank (Nederlandse Studie naar Depressie en Angst), kwamen tot de conclusie dat kindertrauma een belangrijke risicofactor blijkt te zijn voor angststoornissen in de volwassenheid, voornamelijk in het geval van comorbide depressie en angst. Jeugdtrauma is dus geassocieerd met het hardnekkig bestaan van zowel comorbiditeit als chroniciteit in het beloop van angststoornissen (Hovens e.a. 2009, 2012). Vele voorafgaande studies binnen dit domein zijn echter cross-sectioneel van aard, vertonen inconsistente resultaten en richten zich op affectieve stoornissen in het algemeen, zonder specifieke aandacht voor de paniekstoornis. Een degelijk inzicht in de klinische factoren binnen het verloop van paniekstoornis is van groot belang voor een beter wetenschappelijk en klinisch inzicht. Na een kort literatuuroverzicht stellen we de resultaten van een longitudinale studie naar de impact van jeugdtrauma op het verloop van de paniekstoornis in de volwassenheid en de betreffende klinische kenmerken voor.
 
S03.3 Effect van jeugdtrauma op de executieve functie in affectieve stoornissen: een fMRI-studie
Laura Cassiers, arts, aso psychiatrie/doctorandus, UZP campus UZA / CAPRI UA, Wilrijk

Onderzoek toont aan dat de executieve functies (EF) aangedaan zijn bij personen die traumatische ervaringen hebben meegemaakt in hun jeugd.  In eerdere studies werd echter onvoldoende gecorrigeerd voor de aanwezigheid van affectieve stoornissen, die eveneens geassocieerd zijn met executieve disfunctie en bovendien prevalenter zijn in getraumatiseerde populaties.  Daarnaast zijn er aanwijzingen dat factoren zoals trauma wellicht bijdragen tot een gedifferentieerde verstoring van de EF over verschillende affectieve stoornissen heen.
In deze presentatie gaan we in op de resultaten van functioneel beeldvormingsonderzoek dat de impact van jeugdtrauma op EF-gerelateerde hersenactiviteit vergelijkt binnen een grote populatie met affectieve stoornissen.  Daarnaast bespreken we de resultaten van secundaire analyses, waarbij gekeken werd naar de differentiële impact van trauma over de diagnostische categorieën heen, alsook het effect per subtype van trauma.

11u30-13u00
S04 Brain on Fire
voorzitter Manuel Morrens

S04.0 Brain on Fire: Het belang van inflammatie bij psychiatrische aandoeningen
Manuel Morrens, psychiater, hoofddocent UA, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

Stemmingsstoornissen zoals majeure depressie en bipolaire stoornis zijn de meest voorkomende psychiatrische aandoeningen, met een prevalentie van ongeveer 13%, terwijl psychotische stoornissen zoals schizofrenie gediagnosticeerd worden in 3,5% van de algemene bevolking. Er bestaan echter nog veel onduidelijkheden over de onderliggende pathofysiologie van deze aandoeningen. In de afgelopen twee decennia stapelt wetenschappelijk bewijs zich op dat het immuun-inflammatoire systeem hierin een rol speelt. Gezien de schadelijke effecten die de ontregeling van het immuunsysteem bij sommige somatische aandoeningen met zich meebrengt, wordt nu ook neuro-inflammatie naar voren geschoven als mogelijk onderliggend mechanisme voor de neurodegeneratie bij verschillende chronische neuropsychiatrische aandoeningen.

S04.1 De klinische impact van veranderde immuunactiviteit bij bipolaire stoornis
Seline van den Ameele, ASO volwassenpsychiatrie, phd-student, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

Bipolaire stoornis is een ernstige, invaliderende aandoening die wordt gekenmerkt door stemmingswisselingen. Vaak zijn er cognitieve problemen met belangrijke impact op het dagelijks functioneren. Recent onderzoek toont dat het immuunsysteem zowel in het ontstaan als in het progressief verloop van bipolaire stoornis mogelijks een rol speelt. Zo zien we onder meer een verhoogde prevalentie van auto-immuunziektes bij personen met bipolaire stoornis, maar ook verhoogde perifere en centrale inflammatoire merkers, een anti-inflammatoire werking van stemmingsstabilisatoren en een snellere opklaring van depressieve klachten bij gebruik van anti-inflammatoire medicatie. [1] Via opstapeling van toxische stoffen kan chronische inflammatie leiden tot neurodegeneratie. Hoewel onvoldoende onderzocht, draagt dit vermoedelijk bij tot een ernstiger ziekteverloop en cognitieve achteruitgang.
In dit longitudinaal onderzoek gaan we na in hoeverre wijzigingen in immuunactiviteit samenhangen met stemmingswisselingen en cognitieve problemen. Dertig depressieve en dertig hypomane/manische personen met een bipolaire stoornis worden gedurende acht maanden opgevolgd. Na screening zijn er zes onderzoeksmomenten waarbij telkens een bloedafname plaatsvindt waarop inflammatoire merkers worden bepaald. Deze worden gecorreleerd met scores op stemmingsvragenlijsten en cognitieve testen. De resultaten worden vergeleken met deze van gezonde vrijwilligers. Met dit onderzoek hopen we de klinische impact van veranderde immuunactiviteit bij bipolaire stoornis beter in kaart te brengen.
De voorlopige resultaten uit deze studie worden voorgesteld.

S04.2 Immuunactivatie bij schizofrenie: Nieuwe diagnostische tool en behandeltarget?
Livia De Picker, ASO volwassenenpsychiatrie, phd-student, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

In eerder onderzoek werd bij prodromale patiënten en patiënten met een korte ziekteduur met schizofrenie op PET-scan van de hersenen verhoogde activatie van immuuncellen in de hersenen gevonden, terwijl dit bij chronische patïënten niet het geval was. In combinatie met bevindingen van verhoogde serumwaarden van inflammatoire en metabole merkers tijdens psychose leidde dit tot de ontwikkeling van de microgliahypothese bij schizofrenie1, waarbij vermoed wordt dat chronische sluimerende activatie van het immuunsysteem in de hersenen leidt tot acute en chronische symptomen van schizofrenie door neuronale degeneratie, wittestofafwijkingen en verminderde neurogenese. Klinische trials van anti-inflammatoire middelen als add-on bij antipsychotica werden hierop al ondernomen met enig positief resultaat, maar stuiten op onbeantwoorde vragen: kan een anti-inflammatoire behandeling bij alle patiënten werken en in welke fase van de aandoening zijn patiënten het meest gebaat bij zulke aanpak? Om deze vragen te beantwoorden, bestuderen wij momenteel op een multimodale en longitudinale wijze deze hypothese. Een dynamische PET-scan van de hersenen met een merker voor immuuncelactivatie wordt uitgevoerd bij 18 patiënten met schizofrenie tijdens acute psychotische episode en vergeleken met gezonde vrijwilligers. Daarnaast worden ook bloedstalen van 50 patiënten geanalyseerd op inflammatoire merkers en worden positieve, negatieve en cognitieve symptomen geëvalueerd. Al deze onderzoeken worden enkele weken later herhaald na opklaren van de psychose. Preliminaire resultaten van deze studie worden gepresenteerd.

S04.3 Inflammatie als voorspeller voor ECT-respons bij depressie - een lange weg te gaan?
Linda Van Diermen, ASO volwassenenpsychiatrie, phd student, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen / Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel

De behoefte aan een meer effectieve behandeling voor patiënten met een ernstige, vaak therapieresistente, depressie heeft ervoor gezorgd dat elektroconvulsie therapie (ECT) de laatste jaren meer en meer wordt toegepast. Hoewel geweten is dat een kortere episodeduur en een onvoldoende behandelde depressie een goede respons voorspellen, en dit ook het geval lijkt te zijn voor aanwezigheid van psychotische symptomen en een hogere leeftijd, zijn we ook op zoek naar meer biologische predictoren.  Inflammatie speelt een rol bij het ontstaan en de behandeling van depressie. Het onderzoek naar inflammatie en ECT  is beperkt (Guloksuz, Rutten, Arts, van Os & Kenis, 2014). In het huidig project bekijken we in hoeverre immuunactiviteit ons kan helpen om de respons te voorspellen. Daarnaast onderzoeken we het effect van ECT op immuunactivatie, om een beter inzicht te krijgen in het werkingsmechanisme van ECT. Bij 70 ernstig depressieve patiënten die worden behandeld met ECT wordt zowel een  week voor als een week na ECT een bloedafname gedaan waarop inflammatoire merkers  worden bepaald (CRP, IL1b, IL6, TNF-a, IFN-g). Deze worden gecorreleerd met de evolutie van de stemming. De voorlopige studieresultaten zullen worden voorgesteld. Met dit project hopen we de respons op ECT betrouwbaarder te kunnen voorspellen. ECT kan daardoor eerder worden voorgesteld aan hen met goede responskansen. Dit zou de ziekteduur aanzienlijk kunnen verkorten.

11u30-13u00
S05 Fortune / Mindmates: een evidence-based programma ter preventie van suïcidaliteit en ter promotie van emotionele gezondheid aan de  KU Leuven
voorzitter Ronny Bruffaerts, professor, UPC KU Leuven

De studentenjaren gaan gepaard met een verhoogde kans op emotionele problemen zoals angst, depressie  en suïcidaliteit. Tot één op vijf studenten heeft risico op een depressie tijdens hun eerste jaar aan de universiteit. Ook suïcidaliteit is een vaak voorkomend probleem. Ondanks het hoge voorkomen van emotionele problemen en de impact ervan op academisch functioneren wordt er weinig professionele hulp gezocht. Het Fortune/Mindmates project aan de KU Leuven buigt zich over de epidemiologische aspecten van emotionele problemen bij ongeveer 10,000 studenten. Tegelijk hertaalt het project de bevindingen naar concreet implementeerbare interventies op het niveau van de studentenpopulatie. Deze interventies worden op hun beurt wetenschappelijk geëvalueerd. Hierdoor ontstaat een evidence-based programma dat niet enkel als doel heeft de preventie van emotionele problemen bij studenten maar ook de promotie van emotioneel welbevinden.
In dit symposium rapporteren we (1) over het vóórkomen van emotionele problemen in de academische loopbaan, (2) geven we weer welke specifieke risico- en protectieve factoren er zijn voor emotionele problemen bij studenten en (3) beschrijven we hoe we de (1) en (2) hertalen naar concrete interventies voor de studentengemeenschap aan de  KU Leuven.
Mortier, P., Demyttenaere, K., Auerbach, R.A., Green, J,G,, Kessler, R.C., Kiekens, G,, Nock, M.K.J., Bruffaerts, R. (2015). The impact of lifetime suicidality on academic performance in college freshmen. Journal of Affective Disorders, 186: 254-260
Biekens, G., Claes, L., Demyttenaere, K., Auerbach, R.P., Green, J.G., Kessler, R.C., Mortier, P., Nock, M.K., Bruffaerts, R. Lifetime and 12-month non-suicidal self-injury and academic performance in college freshmen.  Suicide and Life-Threatening Behavior, in press
www.mindmates.be
 
S05.0 Inleiding
Laurence Claes, professor, KU Leuven / Universiteit Antwerpen

In de DSM-5 (APA, 2013) wordt niet-suïcidale zelfbeschadiging geincludeerd als stoornis die verder onderzoek behoeft. Een belangrijke vraag hierbij is hoe niet-suïcidale zelfbeschadiging zich differentieert van suïcidale zelfbeschadiging.  In deze uiteenzetting worden gelijkenissen en verschillen besproken tussen niet-suïcidale en suïcidale vormen van zelfbeschadigend gedrag. We vergelijken personen met/zonder (niet)-suicidale zelfbeschadiging op vlak van  klinische symptomatologie, persoonlijkheidheid, en coping (e.g., Claes et al. 2010). Maakt niet-suïcidale zelfbeschadiging personen kwetsbaar voor suïcide of functioneert dit gedrag als anti-suïcide? Tot slot formuleren we enkele handvatten voor de behandeling: de zoektocht naar zelfzorg.
 
S05.1 Suïcidaliteit bij universiteitsstudenten
Philippe Mortier, arts, doctoraatsstudent, KU Leuven

Suïcide is één van de belangrijkste doodsoorzaken bij universiteitsstudenten, maar specifieke data over de prevalentie, incidentie en het verloop van suïcidaliteit tijdens de academische loopbaan zijn niet gekend. Als een onderdeel van de World Mental Health Surveys International College Student project (WMH-ICS) werden vanaf het academiejaar 2012-2013 systematisch alle eerstejaarstudenten doorheen hun academische loopbaan gevolgd in termen van suïcidaliteit. Lifetime prevalentie wordt geschat op 18,0% voor doodswens, 12,9%  voor suicide-ideatie, 6,7% voor suïcideplannen en 1,3% voor suïcidepogingen. Incidentie wordt geschat op 3,1%  voor doodswens, 2,1% voor suicide-ideatie, 0,6% voor suicide-plannen en 0.0% voor suïcidepogingen. Persistentie van suïcidaliteit bedroeg 43%. We rapporteren ook over de transities tussen verschillende niveaus van suïcidaliteit en hoe deze zich verhouden ten aanzien van de gehele academische loopbaan.
 
S05.2 Zelfverwondend gedrag bij universiteitsstudenten
Glenn Kiekens, msc psychologie, doctoraatsstudent, KU Leuven

Vanuit data van de World Mental Health – International College Surveys (WMH-ICS) rapporteren we over het voorkomen en de verschillende trajecten van zelfverwondend gedrag bij universiteitsstudenten. We gingen bovendien na in welke mate zelfverwondend gedrag een invloed heeft op het academisch functioneren. Zelfverwondend gedrag werd gemeten met de items van de Self-Injurious Thoughts and Behaviors Interview. Uit de analyse van de eerstejaarsstudenten (N= 7.527) bleek dat de lifetime prevalentie van zelfverwondend gedrag kan worden geschat op 8,2%, met 2,8% binnen de laatste twaalf maanden. Eerstejaarsstudenten met lifetime en 12-maanden zelfverwondend gedrag hadden respectievelijk 3,4 en 5,9% verlaging van hun eindpercentage. We vonden bovendien dat de impact van zelfverwondend gedrag op academisch functioneren verschillend is per departement: de impact is groter in departementen die algemeen gezien beter presteren.
 
S05.3 Alcohol- en middelengebruik bij universiteitsstudenten
Ronny Bruffaerts, professor, UPC KU Leuven
Ilse Vandepoel,
master verpleegkunde, doctoraatsstudent, KU Leuven / UZ Leuven

De jongvolwassenheid is de periode waarin alcohol- en middelenstoornissen zich vaak ontwikkelen. In de Belgische algemene bevolking zal 75% van alle personen die ooit in hun leven een alcohol- of middelgebonden stoornis zullen hebben, deze hebben ontwikkeld tussen de leeftijden van 20 en 31. Toch is er niet veel gekend rond de transities tussen gebruik van middelen en meer ernstige vormen van gebruik maar ook misbruik en afhankelijkheid. Met de Belgische gegevens van de World Mental Health – International College Surveys (WMH-ICS) zullen deze trajecten in kaart worden gebracht.
We rapporteren over de epidemiologie van alcohol- en middelengebruik bij eerstejaarstudenten (n=7.482) en schetsen in welke mate alcohol- en middelengebruik evolueert doorheen de academische loopbaan. We schetsen ook in welke mate deze verschillende  trajecten van alcohol- en middelengebruik kunnen worden bijgestuurd en vatbaar zijn voor verandering tijdens de academische loopbaan.
 
S05.4 Van prevalentie naar preventie en promotie: emotioneel welzijn als duurzame beleidsoptie aan de KU Leuven
Anne Neyskens, master psychologie, diensthoofd studentengezondheidscentrum KU Leuven

De centrale doelstelling van Mindmates is de ontwikkeling, implementatie en herevaluatie van evidence-based interventies inzake preventie en promotie. Deze evidentie wordt aangevoerd door het Fortune-onderzoeksproject.
In deze bijdrage geven we een overzicht van de verschillende werkzame interventies die kunnen worden geïmplementeerd op het niveau van een hele onderwijsinstelling.

14u00-15u30
S06 Verrassende ontmoetingen: creatieve verbindingen in de hulpverlening
voorzitter Winny Ang, kinder- en jeugdpsychiater, DVC Sint-Jozef / Universiteit Antwerpen, 't Verhaal, Berchem

Het symposium laat jullie kennis maken met een aantal inspirerende ideeën en methodieken. Projecten die niet per se vanuit de hulpverlening zijn ontstaan maar ook daar een zinvolle plaats kunnen hebben. Rode draad is participatie,  het op creatieve manier ruimte geven aan de stem, verhalen van mensen. Deze emancipatorische processen zorgen voor verbinding zowel naar zichzelf als naar anderen toe. De projecten zijn niet aan hun proefstuk toe, ze zijn allemaal reeds onder de loep genomen en blijken (on)rechtstreeks een positieve invloed te hebben op welbevinden van mensen.
 
S06.1 Samen lezen
Sylvie Moors, artistiek leider, De Dagen, Antwerpen

Samen lezen is samen genieten van verhalen, fragmenten en gedichten uit de brede wereldliteratuur. Collectief De Dagen werkt rond schoonheid op kwetsbare plekken. Leesbegeleiders introduceren in verschillende plekken – zorgorganisaties van allerlei aard – de kracht van verhalen. In kleine groep proeven de deelnemers van teksten uit alle windstreken en wisselen ze van gedachten. Een passionele lezer begeleidt het gesprek.
 
S06.2 Photovoice
Tom Vansteenkiste, zorginhoudelijk coördinator, BW De Link, Mortsel

PhotoVoice is met foto's een stem geven aan mensen in de marge. Het is een visueel-narratieve methodiek én een participatief groepsgebeuren waarbij deelnemers zelf aspecten van hun leven in beeld brengen. Foto’s zijn direct en toegankelijk, met een andere communicatievorm. Ze vergemakkelijken het vertellen van een verhaal en maken het herstelconcept meer tastbaar. Het participatief groepsgebeuren in PhotoVoice werkt empowerend voor de deelnemers, en bevordert een dialoog met zichzelf, de groep en de ruimere context.
 
S06.3 De levende bibliotheek
Rik Van Nuffel, stafmedewerker, VVGG, Gent
Katrien Jacobs, ervaringswerker, levend boek, Antwerpen

Boeken zijn neergeschreven verhalen. Bibliotheken zijn verzamelingen van verhalen. Mensen zijn vol van verhalen. Levende bibliotheken zijn verzamelplekken waar mensen hun verhalen delen in een-op-een-ontmoetingen. De Levende bibliotheek wordt georganiseerd in publieke ruimten, zoals openbare bibliotheken, en aangekondigd als een bijzondere ervaring, niet als een gesprek over psychische problemen. Een uitstekende formule om op intieme manier de psychische kwetsbaarheid van mensen en hun levenskracht te delen met anderen. 

S06.4 True Doors
Martijn Voorhaar, onderzoeker, True Doors, Haarlem

Hoe creëer je een thuisgevoel in een zorginstelling? True Doors zijn opplakdeuren met de afbeelding van de voordeur van een vroegere woning van een persoon die in een zorginstelling woont. De opplakdeuren maken het leven van ouderen en mensen met beperkingen aangenamer. Woon- en zorgcentra voelen meer als thuis. Dit heeft vele positieve gevolgen, o.a. sociale interactie wordt bevorderd, omdat door de herkenning van de deuren reminiscentie wordt gestimuleerd. Het is een manier voor de bewoners om hun eigen identiteit laten zien. Hoe een eenvoudig idee een groot effect kan hebben.

14u00-15u30
S07 Vermaatschappelijking en de vraag naar creativiteit en innovatie in het werken met mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties
voorzitter Jessica De Maeyer
 
S07.0 Inleiding
Didier Reynaert, orthopedagoog, docent, vakgroep sociaal werk en expertisecentrum Quality of Life (E-QUAL), faculteit Mens & Welzijn, HoGent
Jessica De Maeyer, orthopedagoog, docent vakgroep orthopedagogie en expertisecentrum Quality of Life (E-QUAL), faculteit Mens & Welzijn, HoGent, Gent

Dit symposium wordt georganiseerd door de academische werkplaats Vermaatschappelijking, die werd opgericht in februari 2014 en ingebed zit in het expertisecentrum Quality of Life (E-QUAL) van de Hogeschool Gent. In deze academische werkplaats wordt gewerkt aan wetenschappelijke kennisontwikkeling en aan innovatie van het (zorg)aanbod vanuit een samenwerkingsverband tussen praktijk, beleid en wetenschap. Het thema vermaatschappelijking sluit sterk aan bij de tendensen naar deïnstitutionalisering binnen verschillende sectoren in het werkveld (vb. geestelijke gezondheidszorg, sector voor personen met een beperking). Op die manier poogt men mensen in maatschappelijk kwetsbare situaties zoveel mogelijk te ondersteunen in hun thuissituatie en bij te dragen tot de verbinding met de ruimere samenleving. De focus komt hierbij te liggen op het uitbouwen van natuurlijke en professionele netwerken. Vermaatschappelijking is dan ook een proces dat zich binnen de volledige zorgsector voltrekt en vraagt naar een opheffing van de categoriale verschillen in de zorg en een uitbreiding naar andere sectoren en de ruimere samenleving in zijn geheel.
In dit symposium wordt stilgestaan bij een aantal kritische kanttekeningen en uitdagingen die gepaard gaan met vermaatschappelijking en worden aan de hand van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, via het gebruik van sociaal-artistieke onderzoeksmethoden (photovoice en video-analyse), nauwverwante thema’s zoals inclusief burgerschap, herstel en kwetsbaarheid belicht. Centraal staan de persoonlijke perspectieven en ervaringen van de personen met een psychische kwetsbaarheid.
 
S07.1 Vermaatschappelijking: Laveren tussen kansen en bedreigingen
Cis Dewaele, sociaal agoog, coördinator Straathoek Vlaanderen en Reach Out!, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, Berchem
Jessica De Maeyer, orthopedagoog, docent, vakgroep orthopedagogie en expertisecentrum Quality of Life (E-QUAL), faculteit Mens en Welzijn, HoGent
Didier Reynaert (HoGent), Sandra Beelen (SAW), Stijn Vandevelde (UGent), Dirk Meesen (PC Gent-Sleidinge)

Vermaatschappelijking is ‘hot’. Het is de nieuwe doelstelling in de gezondheids- en welzijnssector (o.a. ggz, sector voor personen met een beperking, jeugdhulp,…). En hoewel de term een hoge ‘aaibaarheidsfactor’ heeft, blijft het onduidelijk wat er exact onder verstaan wordt. Zoals bij elk containerbegrip bestaat het risico op misverstanden, verwarring en ergernis.
Aan de hand van een aantal concrete spanningsvelden, waar zorgverleners, cliënten en hun informele netwerk dagelijks mee geconfronteerd worden, gaan we in op de uitdagingen, grenzen en valkuilen van vermaatschappelijking. Er wordt ingezoomd op de na te streven uitkomstmaat van vermaatschappelijking, namelijk inclusief burgerschap. Verder wordt de rol van het informele netwerk onder de loep genomen en de balans tussen het recht en de plicht tot zorg. Vanuit de huidige context van individualisering wordt ingegaan op de toenemende vraag naar sociale cohesie als antwoord op de huidige maatschappelijke situatie.
Kanttekeningen worden gemaakt bij een focus op verantwoordelijkheid en autonomie, die al snel doet denken aan een terugkeer naar het individueel schuldmodel, wanneer mensen er niet in “slagen” om te participeren in de samenleving. Tot slot wordt ingegaan op de mogelijkheden en implicaties voor de professional en het beleid.
 
S07.2 Maatschappelijke kwetsbaarheid in beeld. Inclusief burgerschap van en door personen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties
Jessica De Maeyer, orthopedagoog, docent, vakgroep orthopedagogie en expertisecentrum Quality of Life (E-QUAL), faculteit Mens en Welzijn, HoGent
Didier Reynaert HoGent, Sandra Beelen SAW, Stijn Vandevelde UGent, Dirk Meesen PC Gent-Sleidinge

Ondanks de huidige tendensen naar vermaatschappelijking van de zorg en ondersteuning van mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties (vb. mensen met een psychische kwetsbaarheid, mensen met een langdurige verslavingsproblematiek) zien we dat vermaatschappelijking vaak beperkt blijft tot het fysieke aspect (‘aanwezig zijn’ in de samenleving), maar zelden leidt tot ‘inclusief burgerschap’ (‘deel uitmaken van’). Mensen met psychische problemen en/of een afhankelijkheidsproblematiek worden vaak hun keuze, zelfbepaling en erkenning afgenomen en bestempeld als tweede rangburgers, wat resulteert in een oneigenlijk bezit van hun burgerschap.
Aan de hand van de visueel-etnografische methode photovoice hebben mensen met een psychische kwetsbaarheid hun verhaal in beeld gebracht en stilgestaan bij hun positie in de samenleving en de rol die kwetsbaarheid daarbij speelt. Hierbij werd er vertrokken vanuit interactie door dialoog om op die manier ruimte te creëren voor verschillende perspectieven en zicht te krijgen op wat inclusief burgerschap van personen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties vraagt van henzelf, organisaties en de ruimere samenleving.
In deze presentatie gaan we in op de dagelijkse beleving van personen met psychische problemen en/of een verslavingsproblematiek omtrent inclusief burgerschap. Hoe ervaren personen met een psychische kwetsbaarheid en/of een middelenafhankelijkheid burgerschap in hun dagelijkse leven? Op welke manier kan inclusief burgerschap van mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie bevorderd worden in de samenleving?
 
S07.3 Villa Voortman: een ontmoetingsplaats voor personen met dubbele diagnose
Dirk Bryssinck, psycholoog, coördinator, Villa Voortman, Gent
Clara Deruysscher, Vakgroep Orthopedagogiek/Hogeschool Gent, E-QUAL, Universiteit Gent
Freya Vander Laenen, Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht, Universiteit Gent
Stijn Vandevelde, Vakgroep Orthopedagogiek, Universiteit Gent

Vermaatschappelijking, inclusief burgerschap en empowerment zijn vandaag, naast verschillende andere begrippen, veel geciteerde termen wanneer we het hebben over de ondersteuning van personen met geestelijke gezondheidsproblemen. Hoewel deze tendensen van toepassing zijn op iedereen, dreigen een aantal groepen toch (opnieuw) uit de boot te vallen, gezien ze weinig aansluiting vinden bij de bestaande hulpverlening, en de ruimere samenleving meer in het algemeen. Personen met een dubbele diagnose (middelenmisbruik gecombineerd met een psychiatrische diagnose) vormen één van deze groepen.
Villa Voortman, een laagdrempelig ontmoetingscentrum in Gent, richt zich op de ondersteuning van deze mensen met het oog hen opnieuw een plaats te doen krijgen in de samenleving. De innovatieve werking vertrekt vanuit aandacht voor persoonlijk herstel en sterktes van de persoon; wordt gekenmerkt door acceptatie, ontmoeting, dialoog, verbondenheid, creativiteit, inclusie en gelijkwaardigheid;  en is onder meer gestoeld op de principes van de democratische therapeutische gemeenschap (Maxwell Jones) en het werk van Jacques Lacan.
In deze bijdrage gaan we enerzijds in op “wat werkt” binnen Villa Voortman met aandacht voor de theoretische achtergronden én de praktische – creatieve – uitwerking hiervan. Anderzijds besteden we ook aandacht aan de aspecten die de bezoekers van Villa Voortman als werkzaam en essentieel ervaren, op basis van de resultaten van een kwalitatief onderzoek (video-analyse).
De presentatie wordt afgerond met een bespreking van een aantal toekomstige uitdagingen.

14u00-15u30
S08 Onlinehulp in de GGZ
voorzitter Jennifer Pots
 
S08.0 Het landschap van Online Hulpverlening in Vlaanderen: niet meer braakliggend, wel vruchtbaar en in ontwikkeling!
Jennifer Pots, coördinator, Federatie Tele-Onthaal

Onlinehulp deed zijn intrede in Vlaanderen, aanvankelijk vooral op de eerste lijn. Innovatief en creatief was het in het begin zeker. Degelijk en zinvol blijkt het vaak ook te zijn.
Tijdens dit symposium bieden we eerst een breed overzicht op de mogelijkheden van een online hulpverleningsaanbod in de ggz. Daarna zoomen we in op de opgebouwde expertise van een aantal pioniers, op het gebied van chathulp en online behandelplatforms. En tenslotte luisteren we graag naar een sterke getuigenis over het inzetten van een mobiele applicatie in een ggz op maat.
In dit symposium geven we professionals van de tweede en derde lijn de kans kennis te maken met enkele mogelijkheden van onlinehulp in de ggz.
 
S08.1 Onlinehulp in GGZ … goed op weg maar waarheen?

Philippe Bocklandt, bachelor sociaal werk en master in de politieke en sociale wetenschappen, docent en onderzoeksmedewerker onlinehulp, medewerker Knooppunt-online, Arteveldehogeschool – bachelor sociaal werk, Gent

Net zoals in sommige andere welzijns- en zorgsectoren wordt in de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen aandacht besteed aan het ontwikkelen en implementeren van een onlinehulpaanbod. Inspirerende praktijken vanuit preventie, begeleiding en nazorg zowel in ambulante als residentiële hulp illustreren dit.
Naast een helikopterzicht van Vlaamse onlinehulpmogelijkheden in de geestelijke gezondheidszorg focussen we ook op een aantal uitdagingen. Om er een paar te noemen: Kunnen we het virtuele netwerk van onze cliënten nog negeren in onze face-to-face begeleidingen? Gaan we onlinehulp blijven ontwikkelen vanuit organisaties in alle verscheidenheid? Hebben we een duidelijk e-mailhulpbeleid en sociale mediabeleid in onze organisatie? Kennen we relevante apps en tools die onze cliënten nu reeds (kunnen) gebruiken?
Deze sessie wil alvast inspireren om (te overwegen om) online toepassingen op een professionele manier te integreren in ons welzijns- en zorgaanbod.
 
S08.2 Mogelijkheden van chathulp. Tele-Onthaal getuigt
Karolien Vermeiren, lic. orthopedagogiek, stafmedewerker, Tele-Onthaal Vlaams Brabant & Brussel, Leuven
Marjan Vertommen, lic. psychologie, stafmedewerker, Tele-Onthaal Antwerpen

Sinds 2002 biedt Tele-Onthaal naast telefonische gesprekken ook chathulpgesprekken. Via de website www.teleonthaal.be kunnen oproepers anoniem chatten met een vrijwilliger van Tele-Onthaal: een gesprek zoals we het kennen, maar dan via de computer en aan de hand van getypte tekst. Onze beschikbaarheid op de chat is doorheen de jaren systematisch gestegen. Toch blijft het aanbod onvoldoende voor de immense vraag naar chathulpgesprekken die er is bij oproepers.  
Wat maakt chathulp zo gewild? En wat zijn de grootste verschillen met een face-to-face of een telefonisch gesprek?
Vanuit een recente bevraging van chatoproepers van Tele-Onthaal en onderzoek naar ‘de ervaren baat’ van oproepers, geven we een overzicht van voordelen, mogelijkheden en aandachtspunten van dit medium. Chathulpgesprekken worden doorgaans als erg helpend ervaren. Oproepers voelen zich erkend en begrepen en ervaren het contact via chat als authentiek.
We merken dat gespreksvaardigheden die ingezet worden bij chat enerzijds zeer gelijkend zijn aan deze van een telefonisch contact. Anderzijds vereist chat specifieke chathulpvaardigheden. Vanuit de dagelijkse praktijk illustreren we enkele chathulpvaardigheden die essentieel zijn voor een hulpverlener om van een chatgesprek een effectief helpend gesprek te maken. Termen als accuraat schermlezen en schermschrijven worden verduidelijkt.
 
S08.3 Online hulp als verbindende factor in de GGZ
Wim Wouters, master psychologie, directeur, CGG Kempen, Turnhout

Met Alcoholhulp.be realiseerden CGG Kempen en CAD Limburg een online stepped care-benadering van afhankelijkheidsproblemen. Op een laagdrempelige manier kunnen mensen met alcoholproblemen, vaak voor de eerste keer, in contact komen met hulpverlening. Via informatie en een zelftest kunnen ze doorstromen naar online zelfhulp of naar online begeleiding.
De online begeleiding bestaat uit een  begeleidingsprogramma en wekelijkse contacten met een hulpverlener via chat. Indien aangewezen is verwijzing naar ambulante face-to-face hulp of residentiële zorg mogelijk. Daarnaast kunnen deelnemers bijkomende onderlinge ondersteuning vinden via een afgeschermd forum.
Met Depressiehulp.be willen CGG Kempen en CGG De Pont een soortgelijke weg gaan, maar met enkele andere accenten en bijkomende mogelijkheden. Zo willen we eerst de blended werking implementeren in onze cgg’s en pas daarna ‘puur’ online gaan. We hopen hiermee blended werken een vaste plaats te geven in het begeleidings- en behandelaanbod van de cgg.  
Starten met de blended werking biedt als bijkomend voordeel dat we grondiger aan ‘user research’ kunnen doen. Aangezien online of blended hulp meer regie geeft aan de cliënt, is het essentieel dat het aanbod ook zo goed mogelijk aansluit bij hun behoeftes en aantrekkelijk gevonden wordt.
Verder willen we op termijn bijdragen aan de online verbinding tussen de verschillende ‘lijnen’ in welzijn en zorg. Het moet immers mogelijk worden dat mensen met ernstige depressieve klachten die online hulp zoeken via eerstelijnsdiensten zoals Tele-Onthaal en  Zelfmoord 1813, ook  online doorverwezen worden naar een cgg wanneer dit aangewezen is.
 
S08.4 Zelfmonitoring en taperingstrips voor beter en minder medicijngebruik
Peter Groot, dr., onderzoeker/ervaringsdeskundige, User Research Centre, MUMC+, Maastricht

Voor de gemiddelde patiënt ligt de richtlijn voor de aanbevolen standaarddosis medicatie in de buurt van de optimale dosis: hoog genoeg om effectief te zijn, laag genoeg om ongewenste bijwerkingen zoveel mogelijk te voorkomen. Voor een individuele patiënt, die niet gemiddeld is, is de standaarddosis echter soms te laag en meestal te hoog. We zouden dus met minder medicatie toe kunnen, als we een goede manier zouden hebben om te kunnen bepalen wie met minder toe kan en wie niet.
Door een zware depressie ging de onderzoeker in 2003 antidepressiva gebruiken. Acht jaar later bouwde hij zijn antidepressiva geleidelijk af, terwijl hij het effect daarvan met behulp van een mobiele applicatie bijhield. Dit experiment liet zien dat het mogelijk is om waarschuwingssignalen op te pikken voor een dreigende depressie, vóórdat arts en patiënt die depressie zelf opmerken. Dat die waarschuwing zo vroeg komt is belangrijk, omdat dat het mogelijk maakt om vroegtijdig in te grijpen en om zo'n dreigende depressie daarmee misschien te voorkomen.
Voor zelfmonitoring kan de PsyMate gebruikt worden, die als app kan worden gedownload op de SmartPhone. Geleidelijke dosisreductie kan worden gerealiseerd met behulp van taperingstrips. Die helpen patiënten om op een veilige, begrijpelijke en goede manier met een medicijn te stoppen, of om de dosis daarvan te verlagen. In Nederland zijn inmiddels taperingstrips beschikbaar voor een aantal antidepressiva en enkele antipsychotica en benzodiazepines.
Besproken wordt hoe we binnen het User Research Centre van Maastricht UMC taperingstrips en zelfmonitoring met behulp van de PsyMate willen gaan gebruiken om te komen tot beter en minder medicijngebruik.

14u00-15u30
S09 Zorgpad Crisis 2.0 – een blueprint voor de ggz van de 21ste eeuw
voorzitter Ronny Bruffaerts

De Belgische geestelijke gezondheidszorg is in volle verandering. Het kader voor deze drastische verschuivingen wordt geschetst in de artikels 107 en 33 van de ziekenhuiswet. Eén van de meest belangrijke en ingrijpende veranderingen is de graduele verschuiving van de locus of de plaats van de zorg. Historisch lag (en ligt) deze nog steeds in de geïnstitutionaliseerde zorg, maar gradueel komt de locus van zorg meer en meer te liggen in de maatschappij, en meer bepaald bij patiënten die in een acute crisogene situatie of context de hulpverlening bereiken. Dat impliceert dat  het gros van de hulpverlening (in al haar faciliteiten) voor de uitdaging staat om deze verschuiving te maken. Eén van de uitdagingen is het op mekaar afstemmen van alle interventies van de urgente of acute psychiatrische zorg, of het zogenaamde acuut psychiatrisch netwerk. Binnen dit gebied heeft de laatste decennia een aantal innovatieve projecten het licht gezien maar anno 2015 is het cruciaal deze verspreide slagorde te bundelen tot een geheel van complementaire en duurzame zorginitiatieven.
In dit symposium toetsen we kritisch in welke mate we binnen de regio Vlaams-Brabant oost deze oefening kunnen maken. We doen dit aan de hand van het Leuvense model van de urgentiepsychiatrie, waar we vanuit regionale unmet need de specifieke noden van een bevolking in beeld kunnen brengen en systematisch toetsen in welke mate we vanuit een acuut psychiatrisch netwerk tegemoet kunnen komen aan deze noden.
 
S09.0 Het acuut psychiatrisch netwerk uitgelegd aan de hand van de nood aan zorg in een bevolking
Ronny Bruffaerts, professor, UPC KU Leuven

Aan de hand van beschikbare populatiedata schetsen we hoe een acuut psychiatrisch netwerk kan functioneren binnen een specifieke regio. We schetsen in welke mate 2a teams, spoedgevallendiensten en kortdurende crisisbedden optimaal kunnen samenwerken teneinde een optimale en continuë zorg te kunnen bieden voor de patiënt en systeem in crisis.
 
S09.1 De samenwerking tussen 2a-teams, spoedgevallendiensten en kortdurende opnames: reflecties van een ervaringsdeskundige
Nathalie Albert, ervaringsdeskundige Alexianen Zorggroep Tienen, Patiëntenvertegenwoordiger UilenSpiegel vzw

In deze bijdrage illustreert een ervaringsdeskundige vanuit eigen ervaringen de toepassing van een acuut psychiatrisch netwerk. Komen aan bod: optimale en suboptimale org, wat goed loopt in de zorg en wat niet goed loopt en dus beter kan in het behandelen van een crisis.
 
S09.2 Vijf jaar Mobiel Crisis Team. Hoe gaat en hoe zien we het in 2020?
Tom Prenen, bachelor verpleegkunde, hoofdverpleegkundige EPSE/MCT UPC KU Leuven

In 2016 viert het Mobiele Crisis-Team van het UPC-KUL haar vijfde verjaardag. Met ongeveer 500 nieuwe aanmeldingen per jaar wordt de uitdaging en werking geschetst om in samenwerking met zowel de algemene als de psychiatrische spoedgevallendienst (ongeveer 3000 psychiatrische aanmeldingen per jaar) een optimale zorg voor de patiënt te kunnen garanderen. Ook de samenwerking met de crisisunit met korte verblijfsduur (500 opnames per jaar) komt aan bod. We kijken bovendien vooruit naar 2020 en situeren de 2a-functie als een centrale pijler in de geestelijke gezondheidszorg.
 
S09.3 Het behandelen van de acute emotionele crisis: de rol van de huisarts. State of the art en reflecties voor de toekomst
Geert Pint, huisarts, Leuven

De vorige vijftien jaren is de huisarts steeds nauw betrokken bij de behandeling van een emotionele crisis van een patiënt, maar het is niet goed geweten welke de rol is van de huisarts in het acuut psychiatrisch netwerk. In 2012 en 2013 werden 841 aanmeldingen behandeld door het 2a-team van Leuven/Tervuren, 21% van de patiënten werden verwezen door de eerstelijn. Er was een opmerkelijke stijging van het aantal verwijzingen door de huisarts (tot 28% in 2014).
We bespreken deze data in functie van een nog meer doorgedreven samenwerking tussen een 21ste eeuwse geestelijke gezondheidszorg en de eerstelijnsgezondheidszorg.
 
S09.4 Hebben we nog een psychiater nodig in een 107-wereld?
Jeroen Decoster, supervisor EPSI/MCT UPC KU Leuven

In deze presentatie heeft medisch-psychiatrisch handelen in een acuut psychiatrisch netwerk de aandacht en vooral de evolutie hierin tussen 1998 en 2015. We gaan in op een aantal specifieke medisch-psychiatrische elementen maar vooral de rol van de medische functie wordt iets uitgebreider besproken. In de urgente psychiatrie kent de medische functie immers een aantal specifieke accenten. We bespreken ook de rol van de psychiater op het niveau van het acute psychiatrische netwerk, dat een complementaire samenwerking is tussen een 2a-team, een spoedgevallendienst en een crisisunit met beperkte verblijfsduur. We geven een aantal pijnpunten in de werking van een acuut psychiatrisch netwerk en bespreken in welke mate deze pijnpunten eerder structureel of van voorbijgaande aard zijn.
 
14u00-15u30
S10 Categorale zorg
voorzitter Marc Eneman
 
S10.0 Kan categorale zorg de wereld (van de patiënt) redden?
inleiding Marc Eneman, psychiater, hoofdgeneesheer, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

De reorganisatie van de gezondheidszorg had twee belangrijke motieven: het bewaken van de kwaliteit en het toegankelijker maken van geestelijke gezondheidszorg voor iedereen die het nodig heeft. Hierbij beoogt men opnamevermijdend of opnamevervangend te zijn. De correcte vraag blijft evenwel hoe kunnen we elkeen die het nodig heeft oriënteren naar de meest geschikte zorg. Het voorzien in een breed getrapt aanbod is een goede weg, maar ook het bewaken van de kwaliteit van specialistische zorg. Behandeling van categorale doelgroepen vraagt om specialistische zorg. UPC-Sint Kamillus Bierbeek verzamelt drie van deze groepen in één ziekenhuis. De vraag die ons bezighoudt is: hoe kunnen we de juiste behandeling op het juiste moment met de juiste intensiteit aanbieden? En hoe moeten we dit verenigen met de toenemende druk om toch af te bouwen?
Het doel is de meest kwaliteitsvolle en effectieve behandeling te bieden. Het uiteindelijke doel is kansen scheppen om de wereld van de patiënt te vergroten door maximaal te participeren aan het maatschappelijke leven en maximaal te leven volgens eigen waarden. Een wereld van verschil.
 
S10.1 Forensische psychiatrie in een dynamisch zorglandschap: waar kunnen we ons aan verwachten?
Thomas Marquant, forensisch psychiater, Fenix vzw Walden, Leuven

Sinds 2011 is in Vlaanderen een nieuwe weg ingeslagen binnen de geestelijke gezondheidszorg. Er wordt eindelijk werk gemaakt van deïnstitutionalisering. In Europa alsook in Noord-Amerika heeft men intussen tussen 30 en 40 jaar ervaring met afbouw van bedden, maar ook met de gevolgen voor forensische zorg en de relatie tussen reguliere en forensische zorg. Een opvallende vaststelling daarbij was het fenomeen van de transinstitutionalisering, waarbij het aantal forensische bedden toenam met 10% tot 143%. Onderzoekers geven aan dat het daarbij niet om politieke keuzes gaat, maar om een toenemende vraag aan forensische bedden. Ook gevangenispopulaties hebben een stijgende trend gekend. Dat leidde tot onderzoek naar de redenen waarom deze trend zich voordeed in ondermeer Nederland, Oostenrijk, Duitsland, Engeland, Spanje en Italië. Deïnstitutionalisering bleek daarbij maar een van de elementen in een complex fenomeen zoals transinstitutionalisering, maar het veralgemeend voorkomen ervan bracht belangrijke gevolgen voor de categorale, forensische zorg aan het licht.
In deze bijdrage gaan we in op hoe veranderingen in het psychiatrisch zorglandschap belangrijke gevolgen hebben voor de forensische zorg en welke daarvan de gevolgen voor de samenwerking zijn. Belangrijke vragen zijn waar en voor wie categorale zorg belangrijk zal blijven en onder welke vorm. Maar heeft iedereen nood aan deze categorale zorg? Is er niet meer nood aan inclusie van forensische patiënten in reguliere zorg? En wat leert de literatuur ons daarover?
 
S10.2 Gespecialiseerde ggz voor personen met een verstandelijke beperking
Eddy Weyts, orthopedagoog, therapeutisch coördinator OPM, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Een van de trends die de zorg kenmerkt, is de nadruk die gelegd wordt op het verlenen van deze zorg binnen de gewone maatschappelijke context van de hulpvrager zelf en hiermee samenhangend het vermijden van residentiële zorg. Dit vanuit de idee dat iedereen zo gewoon mogelijk benaderd moet worden en op een zo gewoon mogelijke manier hulp moet krijgen. Men noemt dit “inclusie”. Wat gebeurt er echter wanneer om één of andere reden deze zo gewoon mogelijke hulp niet toereikend is en men nood heeft aan gespecialiseerde zorg om op een gelijkwaardige wijze deel uit te maken van het maatschappelijke gebeuren? Te veel vasthouden aan het adagio van de zo gewoon mogelijke zorg, leidt dan vaak tot exclusie. Dit is wat we kunnen leren uit de geschiedenis van de zorg voor personen met een verstandelijke beperking en bijkomende problemen op vlak van geestelijke gezondheid. Hoe wordt deze gespecialiseerde zorg dan het best aangeboden? Een tweede vraag is waarom vermaatschappelijking van de zorg zich moet afzetten tegen de residentiële zorg door opnamevermijdend te zijn. Staat de residentiële zorg dan buiten de maatschappelijke zorg? Zou het, in plaats van te denken over opnamevermijdende zorg, niet boeiend zijn om na te denken over de vermaatschappelijking van de zorg met de residentiële zorg inbegrepen? Anders gesteld, kan de residentiële zorg een rol spelen in de vermaatschappelijking van de zorg en zo ja, op welke wijze wordt dit dan best georganiseerd?
 
S10.3 Intensieve categorale zorg als noodzakelijke bouwsteen bij NAH
Guy Lorent, klinisch neuropsycholoog, doelgroepcoördinator Cerenah, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

In het geheel van de herorganisatie van de geestelijke gezondheidszorg is het goed te kijken waar eerdere ervaringen deze evolutie gebracht hebben. Een sterke nadruk ligt op de afbouw van bedden zonder randvoorwaarden in ogenschouw te nemen. Het afbouwen van bedden kan geen doel op zich zijn, maar er moet gekeken worden wie wanneer gebaat is bij welke intensiteit van behandeling. Bij uitbreiding van een ambulant aanbod, zowel thuis als poliklinisch, kunnen heel wat problematieken in een sociaal en maatschappelijk favorabele context behandeld of opgevolgd worden. Er zijn evenwel enkele diagnostische groepen waar dit minder voor de hand liggend is omwille van de complexiteit van de aandoening, de beperkte leermogelijkheden of de vele domeinen waar simultaan gewerkt moet worden. Mensen met een NAH zijn een dergelijke groep. Elkeen die een hersenletsel oploopt, is gebaat bij een revalidatieproces. Indien dit bemoeilijkt wordt door gedrags- of emotionele sequellen, dan is er een rol weggelegd voor de geestelijke gezondheidszorg. Bij ontbreken van ziekte-inzicht, aanwezigheid van ernstige cognitieve problemen, geblokkeerde verwerking, comorbiede persoonlijkheidsproblematiek kan dit enkel in een intensieve en geduldige behandelcontext. Het is de nodige intensiteit van behandeling die sturend zou kunnen zijn in het beslissen van welke zorgvorm het meest opportuun is. Bestaande categorale zorg is in zekere zin de vermaatschappelijking/deïnstitutionalisering voorbij en afbouw bij deze groep leidt niet tot beter bestede middelen of betere kwaliteit van zorg, maar gewoon tot minder beschikbare zorg.

14u00-15u30
S11 Ontwikkelingsstoornissen bij volwassenen herkennen en behandelen
voorzitter Frieda Matthys

Voor kinderen met ontwikkelingsstoornissen is gespecialiseerde zorg goed uitgebouwd. Maar ontwikkelingsstoornissen verdwijnen niet bij het volwassen worden. Ze blijven een belemmering vormen in het functioneren in mindere maar soms ook in heel sterke mate. Deze populatie blijft nogal eens in de kou staan. Wordt op veel plaatsen geweigerd. Gezien de hoge graad van comorbide stoornissen is dit een groot probleem. De aanpak vergt naast deskundige diagnostiek voor behandeling en begeleiding een goede samenwerking tussen specialisten en huisartsen, maar ook met andere partners in o.m. thuiszorg, arbeid, enz…
 
S11.0 Inleiding
Frieda Matthys, psychiater, diensthoofd, Expertisecentrum voor Volwassenen met Ontwikkelingsstoornissen (EVO) UZ Brussel / voorzitter VVP

Er bestaan meerdere ontwikkelingsstoornissen. Meest bekend zijn Attention Deficit Hyperkinetic Disorder (ADHD) en Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Volwassenen met deze stoornissen ondervinden veel moeilijkheden in het dagelijkse leven. Vaak gaan ze ook gepaard met andere aandoeningen.
 
S11.1 Uitdagingen bij de diagnostiek van autismespectrumstoornissen bij vrouwen
Nathalie Vanderbruggen, psychiater, kliniekhoofd, EVO, Brussel

Aan de hand van een casus worden de moeilijkheden van een diagnosestelling van ASS bij vrouwen toegelicht.
Verschillen in symptomatologie t.o.v. mannen met ASS en de aandachtspunten in de anamnese en de psychodiagnostische testen worden besproken.
 
S11.2 Is autisme bij volwassenen behandelbaar?
Tineke Tops, psycholoog, autismecoach, De Stap, Mollem

De behandeling van ASS is niet zozeer op de symptomen gericht maar wel op de klachten die eruit voortvloeien. Er zijn grote verschillen met klassieke therapie en specifieke autisme-deskundigheid is vereist. Ook het verloop van auticoaching wordt geschetst.
 
S11.3 Wat is ADHD eigenlijk?
Frieda Matthys, psychiater, diensthoofd, EVO UZ Brussel / voorzitter VVP

Er blijft redelijk wat controverse bestaan over de diagnose van ADHD. Dat is vooral jammer voor de patiënten die eraan lijden en niet ernstig genomen worden en derhalve ook geen adequate behandeling krijgen. De kans op secundaire comorbide aandoeningen is dan groot. Goede diagnostiek vereist wel enige deskundigheid.
 
S11.4 Is ADHD bij volwassenen behandelbaar?
Annelien Bronckaerts, psycholoog, therapeut in opleiding en onderzoeker, EVO, Brussel

De behandeling van ADHD wordt nogal eens geassocieerd met Rilatine. En alhoewel medicatie zeker zijn nut heeft, blijkt de niet-farmacologische behandeling minstens zo belangrijk. De meeste patiënten hebben daar trouwens een uitgesproken vraag naar.

16u00-17u30
S12 Multidisciplinaire begeleiding en behandeling van zedenplegers met een verstandelijke beperking
voorzitter Johan De Groef, psychoanalyticus, voorzitter, Zorgcircuit voor personen met een verstandelijke beperking en bijkomende psychische en/of gedragsproblemen regio Vlaams-Brabant en Brussel, Leuven
 
S12.0 In een regioteam kunnen competenties gebundeld worden
inleiding Eric Stijnen, directeur, lid stuurgroep I.T.E.R., CGG Ahasverus, Brussel

I.T.E.R. is een multidisciplinair regioteam dat preventie, begeleiding en behandeling bij seksueel grensoverschrijdend gedrag organiseert. I.T.E.R. is een feitelijk samenwerkingsverband waarin werkgevers hun middelen en competenties collegiaal inzetten om in overleg een optimaal hulpaanbod te formuleren. Alle werkgevers en teamleden participeren op basis van gelijkwaardigheid: CAW Brussel, CGG Ahasverus en vzw Alba uit de Bijzondere Jeugdzorg. Recent is daar vzw Zonnelied uit de VAPH-sector bijgekomen.
 
S12.1 Seksueel grensoverschrijdend gedrag bij personen met een verstandelijke beperking
Kim Gykiere, forensisch therapeut, teamlid, I.T.E.R., Brussel

De problematiek van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij personen met een verstandelijke beperking is complex. Hoe kunnen we deze personen bereiken en leren kennen? Hoe kunnen we de ernst van hun problemen met seksueel grensoverschrijdend gedag inschatten? We lichten toe welk gepast hulpaanbod I.T.E.R. nu reeds met beperkte middelen formuleert.
 
S12.2 Waarom als VAPH-voorziening participeren in een regioteam?
Katleen Evenepoel, directeur, lid stuurgroep I.T.E.R., vzw Zonnelied, Roosdaal

VAPH is via Zonnelied een nieuwe partner in het I.T.E.R.-project. Wat zijn de redenen om vanuit deze sector in het hulpverleningslandschap te participeren? Op welke manier krijgen VAPH-instellingen met deze problematiek te maken? Deelnemen in een forensisch samenwerkingsverband heeft een meerwaarde om gespecialiseerde hulpverlening uit te bouwen.
 
S12.3 Een aanbod voor minderjarige plegers met een verstandelijke beperking
Ninke Duquet, licentiaat psychologie, verantwoordelijke jongerenteam, I.T.E.R., Brussel

Hebben minderjarige personen met een verstandelijke beperking een eigen benadering nodig?  We verkennen zo’n eigen benadering en omschrijven wat daarvoor nodig is.
 
S12.4 Naar een masterplan voor deze doelgroep?
Connie Naulaerts, forensisch psychiater, I.T.E.R., Brussel

De noden van zedenplegers met een verstandelijke beperking zijn voelbaar op verschillende niveaus: in de ambulante zorg, maar ook in de penitentiaire en residentieel-psychiatrische zorg. Hoe kan hulp er met beperkte middelen uitzien?  Een bijdrage vanuit de praktijk.

16u00-17u30
S13 De Herstelacademie: sterk in samen doen
voorzitter Tom Vansteenkiste, psycholoog, zorginhoudelijk coördinator, Beschut Wonen De Link, Mortsel

S13.0 Inleiding
Toon Derison, schoolmanager Herstelacademie, stafmedewerker, CGG Ahasverus / Mentalis

In dit symposium stellen de herstelacademies in Vlaanderen zich voor. We staan stil bij deze nieuwe, innovatieve bewegingen in een herstelgerichte ggz. De herstelacademie staat voor een vormingsgerichte aanpak, waarbij professionele en ervaringskennis evenwaardig naast elkaar staan en elkaar aanvullen. We spreken over cursussen, trainers en studenten. Dit alles binnen het hersteldiscours, waar ervaringsgericht leren voorop staat.
Inspiratie halen we uit de internationale context waar Recovery Colleges overal als paddenstoelen uit de grond schieten. Het valt op dat het net in die landen gebeurt waar de overheid een herstelgerichte beleidsvisie voor de ggz uitdraagt en ondersteunt. In het bijzonder focussen we op de context van het Verenigd Koninkrijk waar het programma van ImROC  – Implementing Recovery through Organisational Change – een nieuwe benadering vooropstelt om mensen met psychische moeilijkheden te helpen en ondersteunen .
Met enkele concrete voorbeelden wordt duidelijk waar het in een recovery college om draait en waarom het een meerwaarde binnen de ggz is.
Het symposium wordt gerealiseerd  vanuit de Vlaamse werkgroep herstelacademie, een initiatief van VVGG en Mentalis.
Perkins, R., Repper, J., Rinaldi, M. & Brown, H. (2012). Recovery Colleges. ImROC, Briefing 1. London: Centre for Mental Health

S13.1 Herstelacademie ggz-netwerk Halle-Vilvoorde
Toon Derison, schoolmanager Herstelacademie, stafmedewerker, CGG Ahasverus / Mentalis

De eerste Herstelacademie in Vlaanderen kwam in  2012 tot stand vanuit de voorzieningen van  CGG Ahasverus in Vlaams-Brabant. Als pionier werden werking en aanbod geleidelijk aan uitgebouwd, waarbij het systeem van coproductie een beproefd concept werd. Deze ervaringen leveren een resem aan goede praktijken en aandachtspunten op. Een recente samenwerking en supervisie vanuit  ImROC (Verenigd Koninkrijk) is een extra stimulans om de ingeslagen weg verder zetten.
 
S13.2 Herstelacademie Antwerpen
Tom Vansteenkiste, psycholoog, zorginhoudelijk coördinator, Beschut Wonen De Link, Mortsel
Els Draeck, ervaringswerker OPWEGG-OGGPA / Uilenspiegel

Herstelacademie Antwerpen legt de focus op vorming en veerkracht. Deze herstelacademie is ontsproten  in de schoot van vzw De Link en gedurende de afgelopen twee jaar uitgegroeid tot een samenwerking met diverse partners in de provincie Antwerpen. Dit alles wordt ondersteund door een enthousiaste inbreng van ervaringskennis en professionele kennis, en met oog voor het inclusief gedachtegoed binnen een breder netwerk.  
We schetsen hoe de opstart van deze herstelacademie verlopen is en welke  uitdagingen in het verschiet liggen. Met een toelichting bij het huidige aanbod en het delen van een hoopvolle kijk op de nabije toekomst.
 
S13.3 Herstelacademie: een intersectoraal model
Lut Gailly, projectleider werk en zorgtrajecten VDAB

Binnen het verhaal van de Herstelacademie lijkt een unieke rol weggelegd te zijn voor onder andere het thema ‘werk’. Studies tonen steeds weer aan dat het voor veel mensen met een psychische kwetsbaarheid allesbehalve evident is om terug in een werkomgeving aan de slag gaan. Dit heeft met verscheidene aspecten te maken zoals factoren die inherent zijn aan de psychische problematiek, het effect van een (te) lang verblijf in een psychiatrische voorziening, complexe regelgeving en de werkcontext zelf. Dit zijn zaken die stigma en zelfstigma in de hand werken. Een aanbod van trainingen en workshops rond het thema ‘werk’, geïnitieerd door VDAB en specifiek ontwikkeld voor de werking van een herstelacademie, laat een nieuwe wind waaien.
 
S13.4 Herstelacademie ggz-netwerk Leuven
Nathalie Lambert, ervaringswerker, Zorggroep Alexianen, Tienen
Marc Claes, ervaringsdeskundige, mobiel team, Psychosociaal Centrum, Leuven

In de regio Leuven draait de ontwikkeling van deze opstartende herstelacademie sinds 2016 op volle toeren. Organisatie en inhoudelijke werking krijgen steeds meer vorm, evenals het eerste startprogramma. We stellen het opzet en aanbod van deze herstelacademie in Leuvense voor. We blikken terug op de genomen hindernissen en kijken reeds vooruit naar de te leggen verbindingen met andere herstelgerichte praktijken die het werken met ervaringskennis centraal plaatsen.
 
16u00-17u30
S14 Online-methodieken in de preventie van zelfdoding
voorzitter Kirsten Pauwels, directeur CPZ, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Schaarbeek
 
S14.0 Inleiding

Suïcide is een belangrijke problematiek in Vlaanderen. In 2013 stierven 1.052 personen door zelfdoding (Agentschap Zorg en Gezondheid, 2015) en er zijn jaarlijks ongeveer 10.000 personen die als gevolg van een suïcidepoging in de spoedopnamediensten terecht komen (Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, UGent, 2015). Uit de Gezondheidsenquête (WIV, 2013) blijkt dat 13% van de Vlaamse bevolking ooit aan suïcide heeft gedacht. Suïcidale gedachten vormen een belangrijke component in het suïcidaal proces, dat evolueert van suïcidale gedachten die kunnen variëren van vage, sporadische gedachten naar meer concrete plannen en kan eindigen met suïcidaal gedrag. Door de ontwikkeling van online suïcidepreventieprogramma's worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd binnen suïcidepreventie, onderzoek en de klinische praktijk.
 
S14.1 Think Life: een online zelfhulpcursus voor het leren omgaan met suïcidale gedachten
Eva Dejaegere, preventiemanager, wetenschappelijk medewerker, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie

Online programma's bieden mogelijkheden door hogere anonimiteit en verhoogde bereikbaarheid in tijd en afstand, vaak belangrijke barrières voor het zoeken van hulp. Recentelijk zijn er enkele onderzoeken verricht die de effectiviteit van online suïcidepreventieprogramma's aantonen in het verminderen van suïcidale gedachten (van Spijker et al., 2014; Christensen et al., 2013; Watts et al., 2012). Het onderzoek van van Spijker en collega's (2014) in Nederland toonde aan dat een online zelfhulpprogramma gebaseerd op doeltreffende psychotherapeutische technieken, een effect had op het verminderen van suïcidale gedachten. Het Nederlandse online zelfhulpprogramma werd aangepast aan de Vlaamse context en Think Life genoemd. Think Life werd op effectiviteit onderzocht aan de hand van een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek waarbij volwassenen met suïcidale gedachten via randomisatie werden toegewezen aan een interventie- of wachtlijst-controlegroep. Metingen vonden plaats bij baseline en na 2, 4 en 6 weken (en na 12 weken voor follow-up onderzoek). De inhoud van Think Life en de resultaten uit het onderzoek worden toegelicht.
 
S14.2 BackUp: app voor suïcidale personen en hun omgeving
Kirsten Pauwels, directeur CPZ, Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Schaarbeek

In 2015 ontwikkelde het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie de app BackUp, die mensen met zelfmoordgedachten (zelfhulp)tools wil bieden voor het overbruggen van suïcidale crisismomenten. BackUp is een onderdeel van het digitale platform www.zelfmoord1813.be. De verschillende elementen in BackUp werden wetenschappelijk onderbouwd, en de app werd voorafgaand aan de lancering uitgebreid getest door experten en doelpubliek (mensen met suïcidegedachten). In deze bijdrage wordt de inhoud van BackUp toegelicht aan de hand van de (wetenschappelijke) onderbouwing van de verschillende modules: hoe kan BackUp bijdragen aan de preventie van zelfdoding? Ook de resultaten van de testing voorafgaand aan de lancering en de resultaten van het gebruikersonderzoek worden toegelicht.
 
S14.3 E-learning voor online moderatoren - preventief reageren op potentieel suïcidale posts op internet
Michaël Bloemen, verantwoordelijke vormingsdienst, Centrum ter Preventie van Zelfdoding,

Sociale media nemen een aanzienlijke plaats in in het leven van mensen. Steeds vaker worden mensen dan ook geconfronteerd met signalen van suïcide(gedachten) op het internet. Het Centrum ter Preventie van Zelfdoding is al enkele jaren actief op de sociale media om op die manier mensen gemakkelijker de stap te laten zetten naar hulpverlening. Suïcidepreventie belangt ons allen aan en online is een belangrijke rol weggelegd voor moderatoren van internetsites, blogs en fora. Het CPZ ontwikkelde daarom een e-learning tool voor moderatoren zodat zij vanop afstand kunnen leren hoe ze signalen kunnen herkennen, adequaat kunnen reageren en gepast kunnen doorverwijzen. Een mooi voorbeeld van het gebruik van nieuwe technologieën in de preventie van zelfdoding. Tijdens deze uiteenzetting hebben we het over inhoud en resultaten.
 
S14.4 De kracht van herinneren en delen
Lore Vonck, communicatieverantwoordelijke & inhoudelijk stafmedewerker, Werkgroep Verder, Halle

Openlijk praten over de tegenstrijdige emoties die nabestaanden na zelfdoding ervaren is niet gemakkelijk. Internet biedt de mogelijkheid om op een laagdrempelige, anonieme en flexibele manier met lotgenoten in contact te komen. Net als face-to-face lotgenotencontact, kan online lotgenotencontact een positieve bijdrage leveren aan het rouwproces en het mentale welbevinden van nabestaanden. Werkgroep Verder vernieuwde begin 2016 twee belangrijke online ontmoetingsplaatsen voor nabestaanden na zelfdoding: het online forum en de herinneringssite. Het online forum biedt een (anoniem) platform om ervaringen en vragen met elkaar uit te wisselen. De herinneringssite geeft ruimte om kostbare herinneringen veilig en voor altijd te bewaren. Nabestaanden kunnen er zelf hun dierbare herdenken die gestorven is door zelfdoding, en andere nabestaanden steunen en troosten op die moeilijke herdenkingsdagen. De lezing neemt jullie mee doorheen deze twee nieuwe interactieve online tools.
 
16u00-17u30
S15 Kwaliteitsindicatoren in de geestelijke gezondheidszorg: stand van zaken anno 2016
voorzitter Kirsten Catthoor, psychiater, VIP²-GGZ, Brussel

In tijden van assessment en benchmark, kunnen we ook in de gezondheidszorg niet meer om kwaliteitsmeting heen. Na de implementatie van kwaliteitsindicatoren in de algemene ziekenhuizen, zijn we met VIP²-GGZ ook voor de geestelijke gezondheidszorg geschikte indicatoren gaan ontwikkelen. Wat dit echter complexer maakt dan in de somatische zorg, is dat de indicatoren niet alleen moeten kunnen ingezet worden in klinische settings, maar ook in ambulante centra, netwerken, beschut wonen en PVT. Een basisset van zeven indicatoren is intussen afgewerkt, waarvan er vier effectief zullen gemeten worden in 2016: het percentage patiënten dat ontslagen wordt uit een ziekenhuis en tijdig ambulant worden opgevolgd, suïcidepreventiebeleid, volledig ingevulde geneesmiddelenvoorschriften en de inschakeling van ervaringsdeskundigen. In dit symposium informeren we u informeren over de stand van zaken.
 
S15.0 Inleiding VIP²GGZ
Geert Dom, voorzitter van het Bureau VIP²-GGZ

Het Vlaams Indicatorenproject voor Professionals en Patiënten in de Geestelijke Gezondheidszorg (VIP²-GGZ) startte in 2011. In deze inleiding gaan we kort in op de structuur van het project en de weg die werd afgelegd.

S15.1 Visie vanuit de Vlaamse Overheid
Dirk Dewolf
, administrateur–generaal, Agentschap Zorg en Gezondheid

Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen voert kwaliteit van zorg hoog in het vaandel; de Vlaamse Overheid is reeds van bij de start een belangrijke partner van VIP²-GGZ. In deze bijdrage wordt de visie op kwaliteit van zorg die de Vlaamse Overheid erop nahoudt nader toegelicht. Ook het gebruik van de data van het project in het kader van beleidsvoering en inspectie komen aan bod.

S15.2 Uitleg en eerste ervaringen VPPeiling
Sabine Van Houdt
, projectverantwoordelijke kwaliteit van zorg en eerstelijn, Vlaams Patiëntenplatform vzw

Het Vlaams Patiëntenplatform ontwikkelde samen met patiëntenvertegenwoordigers en de sector een vragenlijst om ervaringen van patiënten met de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg te meten, de Vlaamse Patiënten Peiling GGZ. In april van dit jaar werd de vragenlijst voor het eerst afgenomen in een groot aantal voorzieningen binnen de sector. In deze bijdrage wordt de ontwikkeling van het instrument geschetst (inclusief de toekomstige stappen), en wordt er stil gestaan bij hoe de eerste afname werd ervaren door de voorzieningen en de makers van het instrument.

S15.3 Internationale evoluties rond kwaliteitsprojecten in ggz
Peter Cosemans
, stafmedewerker, Zorgnet-ICURO

Ook buiten Vlaanderen gebruikt men vaak indicatoren om te werken aan de kwaliteit van zorg in de geestelijke gezondheidssector. Toch zijn er geen twee projecten gelijk. Deze bijdrage kadert VIP²-GGZ in de internationale beweging rond kwaliteit van de zorg in de GGZ, en belicht de sterktes en zwaktes van verschillende projecten waaronder VIP²-GGZ.

S15.4 Wat brengt de toekomst?
Kris Van Den Broeck
, data-analist VIP²-GGZ

Ondanks de hoge participatiegraad – ruim 100 voorzieningen nemen op een of andere manier aan het project deel – kunnen we toch stellen dat het pad van VIP²-GGZ soms steil en bochtig was, en niet vrij van hindernissen. In deze bijdrage schetst de (gewezen) data-analist van het project de ‘lessons learned’ en worden opportuniteiten en bedreigingen van het project opgelijst.

16u00-17u30
S16 Implementatie van de richtlijn voor ADHD bij volwassenen met een stoornis in het gebruik van middelen
Peter Joostens, psychiater, voorzitter, sectie verslavingspsychiatrie VVP

Het complexe samenspel van ADHD en verslaving heeft geleid tot het ontwikkelen van de eerste gevalideerde Belgische multidisciplinaire richtlijn op basis van literatuuronderzoek en focusgroepen van verslavingsartsen, psychiaters en patiënten. Deze richtlijn werd inmiddels herwerkt en geactualiseerd door nieuwe wetenschappelijke inzichten en feedback vanuit sector na de initiële implementatie-ronde.
In dit symposium presenteren verschillende experts hun meest recente bevindingen.
 
S16.0 ADHD en verslaving: prevalentie en neurobiologie
Cleo Crunelle, onderzoeker, UZ Brussel, Brussel

Attention deficit/hyperactivity disorder (ADHD) is een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van verslaving en komt tot 3 maal vaker voor in populaties met verslaving dan in de totale bevolking. We presenteren het laatste internationale onderzoek over de prevalentie van ADHD bij verslaafde patiënten, en de neurobiologische achtergrond van verminderde effectiviteit van farmacologische behandeling van deze doelgroep. Bijna een op vier patiënten met een verslaving heeft ADHD (23,1 %). Bij beeldvormend onderzoek werd een verminderde beschikbaarheid en lagere bezetting van dopamine-transporters door methylfenidaat (MPH)  aangetoond bij cocaïne-afhankelijke patiënten met ADHD dan bij patiënten met ADHD zonder verslaving. Dit kan een eerste mogelijke verklaring zijn waarom MPH behandeling in ADHD patiënten met een verslaving minder effectief is vergeleken met het effect van MPH bij ADHD patiënten zonder verslaving.
 
S16.1 Een richtlijn voor de aanpak van ADHD bij verslaving
Frieda Matthys, psychiater, diensthoofd, UZ Brussel

Recent werd de richtlijn uit 2010 geactualiseerd. Nieuwe onderzoeksresultaten werden verwerkt, de aangepaste aanbevelingen aan een expertengroep voorgelegd. De richtlijn werd ter goedkeuring voorgelegd aan CEBAM. Er blijft echter een tekort aan onderzoek bij deze comorbide stoornissen. Daardoor is ook deze geupdate richtlijn een combinatie van evidence-based en practice-based aanbevelingen.
Conclusie: een geïntegreerde aanpak is nodig om deze patiënten in behandeling te houden. De goed onderbouwde behandelprogramma’s voor verslaving kunnen aangepast worden aan de ADHD-problematiek op zo’n manier dat ook de patiënten zonder ADHD er baat bij hebben.
 
S16.2 Management van ADHD op een verslavingsafdeling
Eva Debusscher, psychiater, afdelingshoofd verslavingsafdeling, Sint-Jozefkliniek, Pittem

Vanuit psychiatrisch oogpunt vormt de diagnose en behandeling van ADHD in een verslavingscontext een hele uitdaging. Een residentiële benadering biedt verschillende voordelen in het uitstippelen van een aangepast traject op maat. Dit wordt geïllustreerd vanuit de klinische ervaring van een verslavingspsychiater met interesse voor deze doelgroep.
 
S16.3 Behandeling van ADHD bij verslaving: meer dan een farmacologisch verhaal
Annelien Bronckaerts, psycholoog, therapeut in opleiding, onderzoeker, UZ Brussel

Uit onderzoek blijkt dat volwassenen met  ADHD van de behandeling verwachten dat hun ADHD symptomen verminderen,  hun vaardigheden om met de symptomen om te gaan verbeteren, en dat ze ook leren omgaan met de problemen op emotioneel en functioneel vlak. Medicatie speelt in hun verwachting vaak maar een beperkte rol. Wanneer er daarnaast een stoornis is in het gebruik van roesmiddelen, komen er nog een aantal verwachtingen van de behandelaars bij: behandelretentie (want het zijn zeer vluchtige cliënten) en vermindering van alcohol- en drugsgebruik. Om cliënten met ADHD in de verslavingszorg te houden is het belangrijk om het behandelprogramma aan te passen aan hun problematiek. Er zullen ook een aantal specifieke accenten moeten gelegd worden onder meer om het inzicht in het eigen in functioneren te verhogen en om vaardiger te worden in het omgaan met de beperkingen. Dit impliceert een aanvaardingsproces waarin psycho-educatie belangrijk is.
Matthys, F., Bronckaerts, A. & Crunelle, C. (2016). Omgaan met ADHD bij verslaving. Garant
 
S16.4 Implementatie van de richtlijn: facilitators en hinderpalen
Peter Joostens, psychiater, afdelingshoofd, PZ Broeders Alexianen, Tienen

Bij de implementatie van de richtlijn stelden we vast dat het betrekken van het werkveld en de patiënten bij de ontwikkeling ervan op zich een sensibiliserend en implementatie-bevorderend effect had. Anderzijds kwamen er ook obstakels en barrières naar boven die extra aandacht vroegen. In deze bijdrage staan we stil bij deze vaststellingen en een aantal tips and trics om hieraan te remediëren.S17 Danstherapie
voorzitter Veerle Smits
 
16u00-17u30  
S17.0 Danstherapie: een vernieuwende manier om zorg te bieden voor de geestelijke gezondheid
Veerle Smits, danstherapeut, PC Elim, Kapellen

In dit symposium laten twee danstherapeuten, uit PC Elim in Kapellen, en PZ Bethaniën in Zoersel, u kennis maken met de therapieën zoals zij die geven. De danstherapie wordt voorgesteld vanuit de theoretische psychotherapeutische kaders, wetenschappelijk worden onderbouwd en geïllustreerd worden met ervaringsmomenten, eigen onderzoek, casestudy’s en embodied beeldmateriaal.
Dans is van oudsher een manier om zorg te bieden voor welzijn van individu en groep. In stamverband konden leden van een gemeenschap verbinding vinden in de gezamenlijke dansen, een verdwaalde ziel werd “teruggehaald” door een symboliserende dans van de sjamaan en kon zo lichamelijk en geestelijk evenwicht herstellen.
Danstherapie is een manier om deze oeroude dynamiek vorm te geven. Gedurende decennia wordt reeds veel belang gehecht aan de wisselwerking tussen psyche en lichaam. Danstherapie is een plaats waar het creatieve van lichaam en geest elkaar kunnen ontmoeten en versterken. Het deugddoende en preventieve aspect van dans hoeft geen betoog. Door op een therapeutische manier gebruik te maken van kunstzinnige symbolisering en lichamelijke ervaring, wordt het mogelijk om ook quasi onverdraaglijk trauma te benaderen en een proces van herstel aan te gaan.
 
S17.1 Wat is danstherapie?
Ann Chatar, danstherapeut, Bethanië, Zoersel

Gebaseerd op de empirisch ondersteunde premisse dat lichaam, denken en geest verbonden zijn, definieert de American Dance Therapy Association danstherapie op het psychotherapeutisch gebruik van beweging om emotionele, cognitieve, fysieke en sociale integratie van het individu te bevorderen (ADTA American Dance Therapy Association 2015). De werking van danstherapie kan vanuit verschillende psychotherapeutische, maar ook neurowetenschappelijke kaders begrepen worden. Om meer inzicht te verkrijgen op de toepassing van danstherapie, worden in de inleiding een aantal van deze kaders gepresenteerd. De nadruk komt vervolgens te liggen op de danstherapeutische methodieken en werkwijzen toegepast door de spreker- danstherapeuten, gepresenteerd aan de hand van casusbeschrijvingen.
American Dance Therapy Association (ADTA) (2015). About Dance/ movement therapy (DMT). Geraadpleegd op 24 juni 2015: www.adta.org/About_DMT

S17.2 Danstherapie: een nieuwe ingangspoort wanneer de behandeling vastloopt bij patiënten met borderline op een intensieve behandeleenheid
Ann Chatar, danstherapeut, Bethanië, Zoersel

Op de intensieve behandeleenheden Wel en Stroom in Zoersel, is danstherapie één van de non- verbale therapieën die deel uitmaken van het totale behandelaanbod. Iedere eenheid telt acht bedden en richt zich op de behandeling van patiënten met persoonlijheidsproblematieken, voornamelijk borderline. De algemene kernopdracht is om vastgelopen interacties tussen hulpverlening en patiënten te deblokkeren en nieuwe perspectieven op behandeling te creëren. Vaak is er sprake van ontwrichte therapeutische relaties en is het moeilijk om ingangspoorten te vinden tot behandeling. Patiënten op de IBE's zijn vaak getraumatiseerd op een pré-verbaal niveau en hebben daarom weinig woorden voor het trauma, of ze hebben niet geleerd om verbaal betekenis te geven aan dat wat ze voelen. In de danstherapeutische sessies wordt spiegelen als methode gebruikt om contact te maken met patiënten. Door middel van het spiegelen kan een therapeutische alliantie gevormd worden en kan zo een veilige hechting groeien. Op die manier ontstaat er ruimte waarbinnen de patiënten hun 'zelf' ontdekken en uitdrukken via hun unieke manier van bewegen. Via de beschrijvingen van casusmateriaal uit de masterthesis van de spreker-danstherapeute, wordt concreet gemaakt  hoe danstherapie een bijdrage kan leveren in het terugvinden van een ingangspoort tot behandeling bij deze doelgroep.
 
S17.3 Danstherapie als instrument om therapeutisch te werken rond trauma en hechting
Veerle Smits, danstherapeut, PC Elim, Kapellen

Centrum voor residentiële psychotherapie Elim in Kapellen is een plaats waar men zich uit het dagelijks leven kan terugtrekken om psychisch lijden de nodige aandacht te kunnen geven. In een intensief therapeutisch proces worden leven, handelen, voelen … onderzocht op betekenis en ontwikkelingsmogelijkheden en kan een cliënt herstel en verandering betrachten. De cliëntengroep in Elim bestaat uit jongvolwassenen en volwassenen met een problematiek die zich vooral situeert rond depressie, burn-out, trauma en hechting.
Traumatische gebeurtenissen veranderen de verhouding met het lichaam. Er treedt vervreemding op en daarmee ook verlies van de natuurlijke uitdrukkingsmogelijkheden. Wanneer het lichaam zelf belaagd wordt, kunnen er dissociatieve reacties optreden, maar ook bij vooral psychisch lijden zal het lichaam reageren. Met het beschadigde lichaamsbeeld raakt ook het zelfbeeld beschadigd en wordt het moeilijk om identiteit te ontwikkelen.
Danstherapie kan een manier zijn om de verbinding met het lichaam te herstellen en een andere verhouding te ontwikkelen met geleden trauma. Dansend vorm geven creëert mogelijkheden om gevoelens op een veilige manier te (ver)dragen en te verwerken en om contact maken met onvermoede creatieve mogelijkheden. In de overdrachtelijke relatie met therapeut en groep, kan herstel in de hechting plaatsvinden.  
Aan de hand van twee casussen tonen we op welke  manier danstherapie een waardevolle rol kan spelen een therapeutisch proces rond trauma en hechting. Vooraf worden de danstherapievormen die in Elim worden gegeven voorgesteld en toegelicht vanuit verschillende psychotherapeutische kaders.